PTSS - Behandeling

Meer informatie
No items found.

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat van alle mensen met zo’n traumatische ervaring 85 procent op een natuurlijke manier herstelt. De behandeling van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) bestaat in de eerste plaats uit traumagerichte psychotherapie. Deze behandelingen richten zich direct op het verwerken van de traumatische herinnering en het verminderen van vermijding, herbelevingen en verhoogde spanning. In de richtlijnen worden verschillende therapieën genoemd, de bewijskracht verschilt echter per behandeling.

Psychologische behandelingen

Traumagerichte psychotherapie vormt de kern van de behandeling van PTSS. Deze behandelingen richten zich direct op het verwerken van de traumatische herinnering en het verminderen van herbelevingen, vermijding en verhoogde spanning. In de praktijk wordt vaak gestart met een behandeling met de sterkste wetenschappelijke onderbouwing, zoals EMDR of traumagerichte cognitieve gedragstherapie.

Daarnaast zijn er verschillende andere behandelingen waarvan aanwijzingen bestaan dat zij effectief kunnen zijn. Hieronder vallen onder meer imaginaire exposure (prolonged exposure), cognitive processing therapy, cognitieve therapie voor PTSS, narrative exposure therapy en kortdurende schrijftherapie. Deze interventies verschillen in accenten, maar hebben gemeen dat zij gericht zijn op het systematisch verwerken van de traumatische ervaring en het verminderen van disfunctionele betekenissen die eraan zijn toegekend.

Korte eclectische psychotherapie (KEP) is een gestructureerde, tijdsbegrensde behandeling die specifiek is ontwikkeld voor PTSS. Deze therapie combineert elementen uit psychodynamische therapie, cognitieve gedragstherapie en directieve therapie. In de behandeling is aandacht voor zowel de emotionele verwerking van het trauma als voor de persoonlijke betekenis ervan. Onderzoek, onder andere bij politiepersoneel, laat zien dat deze vorm van behandeling kan bijdragen aan vermindering van PTSS-klachten.

Psychodynamische psychotherapie wordt in richtlijnen meestal niet als afzonderlijke evidence-based behandeling voor PTSS genoemd, vooral omdat er minder gerandomiseerd onderzoek beschikbaar is. Dit betekent echter niet dat deze benadering onwerkzaam is. Met name bij complexe PTSS, vaak ontstaan na vroegkinderlijk trauma, wordt in de klinische praktijk regelmatig gewerkt met langer durende, relationeel georiënteerde behandelingen, waaronder psychodynamische therapie of psychodynamische groepspsychotherapie. Deze worden doorgaans ingebed in een bredere, gefaseerde of integratieve behandeling, waarin traumaverwerking wordt gecombineerd met aandacht voor hechting, affectregulatie en interpersoonlijke patronen.

Hoewel richtlijnen een hiërarchie aanbrengen in behandelingen op basis van wetenschappelijk onderzoek, zijn verschillen in effectiviteit tussen goed uitgevoerde behandelingen in de praktijk vaak kleiner dan verschillen tussen patiënten, therapeuten en behandelcontext. De keuze voor een behandeling wordt daarom mede bepaald door voorkeuren, eerdere ervaringen en de fase van herstel.

Vaktherapie en lichaamsgerichte therapieën

Vaktherapieën (zoals beeldende therapie, psychomotorische therapie of dramatherapie) worden in de richtlijn wel genoemd, maar niet als primaire behandeling. Ze worden eerder gezien als aanvullende interventies naast traumagerichte psychotherapie. Voor deze interventies is het wetenschappelijk bewijs voor effectiviteit nog beperkt of onvoldoende onderzocht. In de klinische praktijk worden ze echter regelmatig gebruikt, bijvoorbeeld om: emotieregulatie te verbeteren, non-verbale traumaverwerking te ondersteunen, lichaamsbewustzijn en veiligheid te vergroten en therapie toegankelijker te maken voor patiënten die moeite hebben met verbale traumaverwerking. Dit geldt met name bij complex trauma, waar veel behandelprogramma’s een multimodale aanpak gebruiken.

Nieuwe en experimentele behandelingen

Naast de bestaande traumagerichte psychotherapieën en medicamenteuze behandelingen wordt in onderzoek steeds meer aandacht besteed aan nieuwe behandelvormen. Deze interventies zijn nog niet standaard onderdeel van richtlijnen, maar worden onderzocht bij patiënten met hardnekkige of onvoldoende behandelde PTSS. Een van de ontwikkelingen betreft psychedelische en andere snelwerkende middelen. Ketamine wordt onderzocht vanwege het mogelijke snelle effect op depressieve klachten, suïcidaliteit en traumagerelateerde symptomen. Het middel lijkt via invloed op glutamaatsystemen en synaptische plasticiteit tijdelijke verlichting van symptomen te kunnen geven. Daarnaast wordt ook onderzoek gedaan naar psychedelische middelen, zoals MDMA in combinatie met psychotherapie. In enkele klinische studies laten deze behandelingen veelbelovende resultaten zien, maar zij bevinden zich nog grotendeels in de onderzoeksfase.
Ook neuromodulatie wordt onderzocht als mogelijke behandeling voor PTSS. Hierbij wordt geprobeerd hersennetwerken te beïnvloeden die betrokken zijn bij stress, emotionele regulatie en traumageheugen. Voorbeelden zijn repetitieve transcraniële magnetische stimulatie (rTMS) en andere vormen van hersenstimulatie. Sommige studies laten een vermindering van PTSS-symptomen zien, maar de effectiviteit en optimale toepassing moeten nog verder worden onderzocht.
Daarnaast bestaat er toenemende belangstelling voor vroege interventies na een traumatische gebeurtenis. Het idee is dat snelle ondersteuning of behandeling in de eerste uren of dagen na een trauma ("golden hour") mogelijk kan voorkomen dat langdurige klachten ontstaan. Hierbij wordt onder andere gekeken naar kortdurende psychologische interventies en naar medicamenteuze strategieën die de consolidatie van traumatische herinneringen kunnen beïnvloeden.

Medicatie

Medicatie is bij PTSS meestal niet de eerste keuze. Richtlijnen geven in het algemeen de voorkeur aan traumagerichte psychotherapie, omdat daarvoor de sterkste onderbouwing bestaat. Medicatie kan wel worden overwogen wanneer psychotherapie onvoldoende effect heeft, niet beschikbaar is, niet haalbaar is, of wanneer er sprake is van comorbide klachten zoals een depressie of ernstige angst.  

Van de medicamenteuze behandelingen is de onderbouwing het duidelijkst voor sommige antidepressiva, vooral SSRI’s en SNRI’s. Deze middelen kunnen bijdragen aan vermindering van kernsymptomen zoals herbelevingen, vermijding, prikkelbaarheid en angst, al is het effect gemiddeld genomen beperkt tot matig en meestal minder sterk dan bij traumagerichte psychotherapie.  

Benzodiazepinen worden bij PTSS niet aanbevolen. Richtlijnen raden ze af vanwege het risico op afhankelijkheid en omdat zij niet goed helpen bij de kernsymptomen van PTSS.  

Bij ernstige nachtmerries kan prazosine worden overwogen. Voor de behandeling van nachtmerries bij PTSS is daarvoor enige onderbouwing, terwijl het middel niet wordt aanbevolen als algemene behandeling van PTSS-symptomen. In Nederland wordt soms ook doxazosine gebruikt, maar daarvoor is de richtlijnonderbouwing beperkter. De anticonvulsiva topiramaat en lamotrigine hebben geen plek in de richtlijn.

Andere middelen, zoals antipsychotica of stemmingsstabilisatoren, hebben in de richtlijnen geen vaste plaats als standaardbehandeling van PTSS. Zij kunnen soms in specifieke situaties worden overwogen, maar de wetenschappelijke onderbouwing is daarvoor beperkter.  

Literatuur

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat van alle mensen met zo’n traumatische ervaring 85 procent op een natuurlijke manier herstelt. De behandeling van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) bestaat in de eerste plaats uit traumagerichte psychotherapie. Deze behandelingen richten zich direct op het verwerken van de traumatische herinnering en het verminderen van vermijding, herbelevingen en verhoogde spanning. In de richtlijnen worden verschillende therapieën genoemd, de bewijskracht verschilt echter per behandeling.

Psychologische behandelingen

Traumagerichte psychotherapie vormt de kern van de behandeling van PTSS. Deze behandelingen richten zich direct op het verwerken van de traumatische herinnering en het verminderen van herbelevingen, vermijding en verhoogde spanning. In de praktijk wordt vaak gestart met een behandeling met de sterkste wetenschappelijke onderbouwing, zoals EMDR of traumagerichte cognitieve gedragstherapie.

Daarnaast zijn er verschillende andere behandelingen waarvan aanwijzingen bestaan dat zij effectief kunnen zijn. Hieronder vallen onder meer imaginaire exposure (prolonged exposure), cognitive processing therapy, cognitieve therapie voor PTSS, narrative exposure therapy en kortdurende schrijftherapie. Deze interventies verschillen in accenten, maar hebben gemeen dat zij gericht zijn op het systematisch verwerken van de traumatische ervaring en het verminderen van disfunctionele betekenissen die eraan zijn toegekend.

Korte eclectische psychotherapie (KEP) is een gestructureerde, tijdsbegrensde behandeling die specifiek is ontwikkeld voor PTSS. Deze therapie combineert elementen uit psychodynamische therapie, cognitieve gedragstherapie en directieve therapie. In de behandeling is aandacht voor zowel de emotionele verwerking van het trauma als voor de persoonlijke betekenis ervan. Onderzoek, onder andere bij politiepersoneel, laat zien dat deze vorm van behandeling kan bijdragen aan vermindering van PTSS-klachten.

Psychodynamische psychotherapie wordt in richtlijnen meestal niet als afzonderlijke evidence-based behandeling voor PTSS genoemd, vooral omdat er minder gerandomiseerd onderzoek beschikbaar is. Dit betekent echter niet dat deze benadering onwerkzaam is. Met name bij complexe PTSS, vaak ontstaan na vroegkinderlijk trauma, wordt in de klinische praktijk regelmatig gewerkt met langer durende, relationeel georiënteerde behandelingen, waaronder psychodynamische therapie of psychodynamische groepspsychotherapie. Deze worden doorgaans ingebed in een bredere, gefaseerde of integratieve behandeling, waarin traumaverwerking wordt gecombineerd met aandacht voor hechting, affectregulatie en interpersoonlijke patronen.

Hoewel richtlijnen een hiërarchie aanbrengen in behandelingen op basis van wetenschappelijk onderzoek, zijn verschillen in effectiviteit tussen goed uitgevoerde behandelingen in de praktijk vaak kleiner dan verschillen tussen patiënten, therapeuten en behandelcontext. De keuze voor een behandeling wordt daarom mede bepaald door voorkeuren, eerdere ervaringen en de fase van herstel.

Vaktherapie en lichaamsgerichte therapieën

Vaktherapieën (zoals beeldende therapie, psychomotorische therapie of dramatherapie) worden in de richtlijn wel genoemd, maar niet als primaire behandeling. Ze worden eerder gezien als aanvullende interventies naast traumagerichte psychotherapie. Voor deze interventies is het wetenschappelijk bewijs voor effectiviteit nog beperkt of onvoldoende onderzocht. In de klinische praktijk worden ze echter regelmatig gebruikt, bijvoorbeeld om: emotieregulatie te verbeteren, non-verbale traumaverwerking te ondersteunen, lichaamsbewustzijn en veiligheid te vergroten en therapie toegankelijker te maken voor patiënten die moeite hebben met verbale traumaverwerking. Dit geldt met name bij complex trauma, waar veel behandelprogramma’s een multimodale aanpak gebruiken.

Nieuwe en experimentele behandelingen

Naast de bestaande traumagerichte psychotherapieën en medicamenteuze behandelingen wordt in onderzoek steeds meer aandacht besteed aan nieuwe behandelvormen. Deze interventies zijn nog niet standaard onderdeel van richtlijnen, maar worden onderzocht bij patiënten met hardnekkige of onvoldoende behandelde PTSS. Een van de ontwikkelingen betreft psychedelische en andere snelwerkende middelen. Ketamine wordt onderzocht vanwege het mogelijke snelle effect op depressieve klachten, suïcidaliteit en traumagerelateerde symptomen. Het middel lijkt via invloed op glutamaatsystemen en synaptische plasticiteit tijdelijke verlichting van symptomen te kunnen geven. Daarnaast wordt ook onderzoek gedaan naar psychedelische middelen, zoals MDMA in combinatie met psychotherapie. In enkele klinische studies laten deze behandelingen veelbelovende resultaten zien, maar zij bevinden zich nog grotendeels in de onderzoeksfase.
Ook neuromodulatie wordt onderzocht als mogelijke behandeling voor PTSS. Hierbij wordt geprobeerd hersennetwerken te beïnvloeden die betrokken zijn bij stress, emotionele regulatie en traumageheugen. Voorbeelden zijn repetitieve transcraniële magnetische stimulatie (rTMS) en andere vormen van hersenstimulatie. Sommige studies laten een vermindering van PTSS-symptomen zien, maar de effectiviteit en optimale toepassing moeten nog verder worden onderzocht.
Daarnaast bestaat er toenemende belangstelling voor vroege interventies na een traumatische gebeurtenis. Het idee is dat snelle ondersteuning of behandeling in de eerste uren of dagen na een trauma ("golden hour") mogelijk kan voorkomen dat langdurige klachten ontstaan. Hierbij wordt onder andere gekeken naar kortdurende psychologische interventies en naar medicamenteuze strategieën die de consolidatie van traumatische herinneringen kunnen beïnvloeden.

Medicatie

Medicatie is bij PTSS meestal niet de eerste keuze. Richtlijnen geven in het algemeen de voorkeur aan traumagerichte psychotherapie, omdat daarvoor de sterkste onderbouwing bestaat. Medicatie kan wel worden overwogen wanneer psychotherapie onvoldoende effect heeft, niet beschikbaar is, niet haalbaar is, of wanneer er sprake is van comorbide klachten zoals een depressie of ernstige angst.  

Van de medicamenteuze behandelingen is de onderbouwing het duidelijkst voor sommige antidepressiva, vooral SSRI’s en SNRI’s. Deze middelen kunnen bijdragen aan vermindering van kernsymptomen zoals herbelevingen, vermijding, prikkelbaarheid en angst, al is het effect gemiddeld genomen beperkt tot matig en meestal minder sterk dan bij traumagerichte psychotherapie.  

Benzodiazepinen worden bij PTSS niet aanbevolen. Richtlijnen raden ze af vanwege het risico op afhankelijkheid en omdat zij niet goed helpen bij de kernsymptomen van PTSS.  

Bij ernstige nachtmerries kan prazosine worden overwogen. Voor de behandeling van nachtmerries bij PTSS is daarvoor enige onderbouwing, terwijl het middel niet wordt aanbevolen als algemene behandeling van PTSS-symptomen. In Nederland wordt soms ook doxazosine gebruikt, maar daarvoor is de richtlijnonderbouwing beperkter. De anticonvulsiva topiramaat en lamotrigine hebben geen plek in de richtlijn.

Andere middelen, zoals antipsychotica of stemmingsstabilisatoren, hebben in de richtlijnen geen vaste plaats als standaardbehandeling van PTSS. Zij kunnen soms in specifieke situaties worden overwogen, maar de wetenschappelijke onderbouwing is daarvoor beperkter.  

Literatuur