Meer informatie
No items found.

Complexe Posttraumatische Stressstoornis (cPTSS), ook wel complex trauma genoemd, is een psychische aandoening die ontstaat na langdurige en herhaalde blootstelling aan traumatische ervaringen, meestal van interpersoonlijke aard, zoals chronische kindermishandeling, seksueel misbruik, langdurig huiselijk geweld of gevangenschap (vaak beschreven als Adverse Childhood Experiences, ACE). Anders dan bij een eenmalig trauma gaat het hier om situaties waarin iemand gedurende langere tijd geen veiligheid of uitweg had. Juist dat langdurige karakter maakt dat de gevolgen dieper ingrijpen in de persoonlijkheidsontwikkeling.

Hoewel cPTSS niet is opgenomen als aparte diagnose in de DSM-5-TR, wordt het in de ICD-11 wel onderscheiden van PTSS. Volgens de ICD-11 is er bij cPTSS sprake van de klassieke PTSS-symptomen, herbelevingen, vermijding en aanhoudende spanning of hyperarousal, én daarnaast van wat men noemt verstoringen in de zelforganisatie (disturbances in self-organization (DSO).1 Daarmee wordt bedoeld dat niet alleen het trauma­geheugen ontregeld is, maar ook het emotionele evenwicht ("emotionele ontregeling"), het zelfbeeld (diepgeworteld negatief zelfbeeld) en het relationele functioneren (terugkerend patroon van instabiele of onveilige relaties) structureel zijn aangetast.

Bij veel patiënten overlappen deze kenmerken gedeeltelijk met borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS). In de DSM-5-TR wordt BPS gekenmerkt door instabiele relaties, een wisselend zelfbeeld, impulsiviteit en sterke emotionele labiliteit.2 Een belangrijk verschil is dat trauma geen voorwaarde is voor de diagnose BPS, terwijl het bij cPTSS juist centraal staat in het ontstaan. Tegelijkertijd laat onderzoek zien dat een aanzienlijk deel van de mensen met BPS een geschiedenis van herhaald trauma rapporteert. Deze patiënten hebben vaak moeite met een intense angst voor verlating. Hoewel blootstelling aan trauma geen vereiste is voor de diagnose van BPS, tonen studies aan dat tussen de 30% en 90% van de mensen met BPS voldoen aan de criteria voor een trauma-gebaseerde stoornis of een geschiedenis van trauma rapporteren.3,5

Kenmerken cPTSS

cPTSS ontstaat meestal na langdurige blootstelling aan traumatische situaties waarin afhankelijkheid en machteloosheid een rol speelden. Denk aan kindermishandeling, seksueel misbruik, chronisch emotioneel misbruik, mensenhandel of langdurige oorlogservaringen. Het gaat niet alleen om wat er gebeurd is, maar om het ontbreken van bescherming en regulatie in een periode waarin iemand juist veiligheid nodig had om zich gezond te ontwikkelen.
Net als bij PTSS zijn er herbelevingen, vermijding en verhoogde waakzaamheid. Mensen kunnen plots overspoeld raken door herinneringen of lichamelijke sensaties die direct terugvoeren naar het verleden. Daarnaast vermijden zij situaties of gevoelens die aan het trauma herinneren. Het zenuwstelsel blijft als het ware in een staat van paraatheid.
Wat cPTSS echter onderscheidt, is de diepere verstoring van emotionele regulatie, identiteit en relaties. Emotionele ontregeling kan zich uiten in plotselinge woede-uitbarstingen, intense schaamte, gevoelens van leegte of langdurige somberheid zonder duidelijke aanleiding. Het zelfbeeld is vaak negatief en doordrenkt van schuld of waardeloosheid. Veel mensen met cPTSS hebben moeite om zichzelf als veilig, goed of betrouwbaar te ervaren.
Ook relaties zijn vaak beladen. Nabijheid kan zowel verlangd als gevreesd worden. Er kan sprake zijn van wantrouwen, sterke afhankelijkheid of juist afstandelijkheid. Relaties kunnen snel intens en vervolgens instabiel worden. Deze patronen zijn meestal geen karaktereigenschappen, maar overlevingsstrategieën die ooit functioneel waren.
Dissociatie komt frequent voor. Dat kan variëren van zich emotioneel afgesloten voelen tot momenten van depersonalisatie of derealisatie, waarbij iemand zich losgekoppeld voelt van zichzelf of de omgeving. Soms zijn er geheugenlacunes of perioden waarin gevoelens moeilijk toegankelijk zijn. Dissociatie is vaak een beschermingsmechanisme tegen overweldigende emoties.
Daarnaast zien we geregeld lichamelijke klachten. Chronische stress beïnvloedt het autonome zenuwstelsel, het immuunsysteem en de hormonale regulatie. Chronische pijn, maag-darmklachten, vermoeidheid en cardiovasculaire problemen komen daarom relatief vaak voor bij mensen met langdurige traumatisering.

Therapie

Complexe PTSS vraagt geen “intensievere” of “hardere” PTSS-behandeling, maar een andere benadering. Waar klassieke traumatherapie vooral gericht is op het verminderen van herbelevingen, vermijding en hyperarousal, staat bij CPTSD juist de verstoring van zelforganisatie centraal (disturbances in self-organization). Mensen met CPTSD ervaren niet alleen angstklachten, maar worstelen ook met schaamte, chronische leegte, moeite met nabijheid of juist sterke afhankelijkheid. Het probleem zit niet alleen in het trauma­geheugen, maar in hoe iemand zichzelf en anderen is gaan ervaren.
Onderzoek laat zien dat evidence-based behandelingen zoals cognitieve gedragstherapie en EMDR effectief zijn voor de kernsymptomen van PTSS, maar minder consistent effect hebben op deze bredere ontregeling van emoties, identiteit en relaties. Daarom krijgen fasegerichte modellen steeds meer steun. In zulke behandelingen wordt eerst gewerkt aan stabilisatie, veiligheid en affectregulatie, voordat traumaverwerking plaatsvindt. Juist wanneer deze verstoringen in zelforganisatie op de voorgrond staan, lijken deze gefaseerde benaderingen betere en duurzamere resultaten te geven.
Daarnaast wijzen longitudinale en naturalistische studies erop dat psychodynamische therapie betekenisvolle verbeteringen kan geven op het gebied van zelfconcept, hechtingspatronen en interpersoonlijk functioneren, met effecten die op langere termijn standhouden. De conclusie is daarom niet dat er één “beste” therapie is, maar dat CPTSD een relationeel verankerde, fasegerichte en gepersonaliseerde aanpak vereist. Psychodynamische therapie wordt in de literatuur gezien als een klinisch goed onderbouwde optie, juist omdat zij expliciet werkt met hechting, mentaliseren, relationele patronen en identiteit, domeinen die bij CPTSD fundamenteel verstoord zijn. Tegelijkertijd blijft het bewijs voor alle benaderingen nog in ontwikkeling.
Wat steeds duidelijker wordt, is dat stabilisatie, affectregulatie en een veilige therapeutische alliantie geen bijzaak zijn, maar de kern vormen van verandering bij complexe traumatisering.

Literatuur

  1. Complex post traumatic stress disorder. International Classification of Diseases, 11th Revision. Accessed May 26, 2024.
  2. American Psychiatric Association. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. 5th ed. American Psychiatric Association; 2022.
  3. Bozzatello P, Rocca P, Baldassarri L, et al.
    The role of trauma in early onset borderline personality disorder: a biopsychosocial perspective.
    Front Psychiatry. 2021;12:721361.
  4. Leichsenring F, Fonagy P, Heim N, et al.
    Borderline personality disorder: a comprehensive review of diagnosis and clinical presentation, etiology, treatment, and current controversies.
    World Psychiatry. 2024;23(1):4-25.
  5. Katalan C., Unterrainer HM, Gelo OCG
    Psychotherapy for complex post-traumatic stress disorder: efficacy and therapeutic factors
    Front. Psychol., 09 February 2026, Volume 17 - 2026 | https://doi.org/10.3389/fpsyg.2026.1684921

Complexe Posttraumatische Stressstoornis (cPTSS), ook wel complex trauma genoemd, is een psychische aandoening die ontstaat na langdurige en herhaalde blootstelling aan traumatische ervaringen, meestal van interpersoonlijke aard, zoals chronische kindermishandeling, seksueel misbruik, langdurig huiselijk geweld of gevangenschap (vaak beschreven als Adverse Childhood Experiences, ACE). Anders dan bij een eenmalig trauma gaat het hier om situaties waarin iemand gedurende langere tijd geen veiligheid of uitweg had. Juist dat langdurige karakter maakt dat de gevolgen dieper ingrijpen in de persoonlijkheidsontwikkeling.

Hoewel cPTSS niet is opgenomen als aparte diagnose in de DSM-5-TR, wordt het in de ICD-11 wel onderscheiden van PTSS. Volgens de ICD-11 is er bij cPTSS sprake van de klassieke PTSS-symptomen, herbelevingen, vermijding en aanhoudende spanning of hyperarousal, én daarnaast van wat men noemt verstoringen in de zelforganisatie (disturbances in self-organization (DSO).1 Daarmee wordt bedoeld dat niet alleen het trauma­geheugen ontregeld is, maar ook het emotionele evenwicht ("emotionele ontregeling"), het zelfbeeld (diepgeworteld negatief zelfbeeld) en het relationele functioneren (terugkerend patroon van instabiele of onveilige relaties) structureel zijn aangetast.

Bij veel patiënten overlappen deze kenmerken gedeeltelijk met borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS). In de DSM-5-TR wordt BPS gekenmerkt door instabiele relaties, een wisselend zelfbeeld, impulsiviteit en sterke emotionele labiliteit.2 Een belangrijk verschil is dat trauma geen voorwaarde is voor de diagnose BPS, terwijl het bij cPTSS juist centraal staat in het ontstaan. Tegelijkertijd laat onderzoek zien dat een aanzienlijk deel van de mensen met BPS een geschiedenis van herhaald trauma rapporteert. Deze patiënten hebben vaak moeite met een intense angst voor verlating. Hoewel blootstelling aan trauma geen vereiste is voor de diagnose van BPS, tonen studies aan dat tussen de 30% en 90% van de mensen met BPS voldoen aan de criteria voor een trauma-gebaseerde stoornis of een geschiedenis van trauma rapporteren.3,5

Kenmerken cPTSS

cPTSS ontstaat meestal na langdurige blootstelling aan traumatische situaties waarin afhankelijkheid en machteloosheid een rol speelden. Denk aan kindermishandeling, seksueel misbruik, chronisch emotioneel misbruik, mensenhandel of langdurige oorlogservaringen. Het gaat niet alleen om wat er gebeurd is, maar om het ontbreken van bescherming en regulatie in een periode waarin iemand juist veiligheid nodig had om zich gezond te ontwikkelen.
Net als bij PTSS zijn er herbelevingen, vermijding en verhoogde waakzaamheid. Mensen kunnen plots overspoeld raken door herinneringen of lichamelijke sensaties die direct terugvoeren naar het verleden. Daarnaast vermijden zij situaties of gevoelens die aan het trauma herinneren. Het zenuwstelsel blijft als het ware in een staat van paraatheid.
Wat cPTSS echter onderscheidt, is de diepere verstoring van emotionele regulatie, identiteit en relaties. Emotionele ontregeling kan zich uiten in plotselinge woede-uitbarstingen, intense schaamte, gevoelens van leegte of langdurige somberheid zonder duidelijke aanleiding. Het zelfbeeld is vaak negatief en doordrenkt van schuld of waardeloosheid. Veel mensen met cPTSS hebben moeite om zichzelf als veilig, goed of betrouwbaar te ervaren.
Ook relaties zijn vaak beladen. Nabijheid kan zowel verlangd als gevreesd worden. Er kan sprake zijn van wantrouwen, sterke afhankelijkheid of juist afstandelijkheid. Relaties kunnen snel intens en vervolgens instabiel worden. Deze patronen zijn meestal geen karaktereigenschappen, maar overlevingsstrategieën die ooit functioneel waren.
Dissociatie komt frequent voor. Dat kan variëren van zich emotioneel afgesloten voelen tot momenten van depersonalisatie of derealisatie, waarbij iemand zich losgekoppeld voelt van zichzelf of de omgeving. Soms zijn er geheugenlacunes of perioden waarin gevoelens moeilijk toegankelijk zijn. Dissociatie is vaak een beschermingsmechanisme tegen overweldigende emoties.
Daarnaast zien we geregeld lichamelijke klachten. Chronische stress beïnvloedt het autonome zenuwstelsel, het immuunsysteem en de hormonale regulatie. Chronische pijn, maag-darmklachten, vermoeidheid en cardiovasculaire problemen komen daarom relatief vaak voor bij mensen met langdurige traumatisering.

Therapie

Complexe PTSS vraagt geen “intensievere” of “hardere” PTSS-behandeling, maar een andere benadering. Waar klassieke traumatherapie vooral gericht is op het verminderen van herbelevingen, vermijding en hyperarousal, staat bij CPTSD juist de verstoring van zelforganisatie centraal (disturbances in self-organization). Mensen met CPTSD ervaren niet alleen angstklachten, maar worstelen ook met schaamte, chronische leegte, moeite met nabijheid of juist sterke afhankelijkheid. Het probleem zit niet alleen in het trauma­geheugen, maar in hoe iemand zichzelf en anderen is gaan ervaren.
Onderzoek laat zien dat evidence-based behandelingen zoals cognitieve gedragstherapie en EMDR effectief zijn voor de kernsymptomen van PTSS, maar minder consistent effect hebben op deze bredere ontregeling van emoties, identiteit en relaties. Daarom krijgen fasegerichte modellen steeds meer steun. In zulke behandelingen wordt eerst gewerkt aan stabilisatie, veiligheid en affectregulatie, voordat traumaverwerking plaatsvindt. Juist wanneer deze verstoringen in zelforganisatie op de voorgrond staan, lijken deze gefaseerde benaderingen betere en duurzamere resultaten te geven.
Daarnaast wijzen longitudinale en naturalistische studies erop dat psychodynamische therapie betekenisvolle verbeteringen kan geven op het gebied van zelfconcept, hechtingspatronen en interpersoonlijk functioneren, met effecten die op langere termijn standhouden. De conclusie is daarom niet dat er één “beste” therapie is, maar dat CPTSD een relationeel verankerde, fasegerichte en gepersonaliseerde aanpak vereist. Psychodynamische therapie wordt in de literatuur gezien als een klinisch goed onderbouwde optie, juist omdat zij expliciet werkt met hechting, mentaliseren, relationele patronen en identiteit, domeinen die bij CPTSD fundamenteel verstoord zijn. Tegelijkertijd blijft het bewijs voor alle benaderingen nog in ontwikkeling.
Wat steeds duidelijker wordt, is dat stabilisatie, affectregulatie en een veilige therapeutische alliantie geen bijzaak zijn, maar de kern vormen van verandering bij complexe traumatisering.

Literatuur

  1. Complex post traumatic stress disorder. International Classification of Diseases, 11th Revision. Accessed May 26, 2024.
  2. American Psychiatric Association. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. 5th ed. American Psychiatric Association; 2022.
  3. Bozzatello P, Rocca P, Baldassarri L, et al.
    The role of trauma in early onset borderline personality disorder: a biopsychosocial perspective.
    Front Psychiatry. 2021;12:721361.
  4. Leichsenring F, Fonagy P, Heim N, et al.
    Borderline personality disorder: a comprehensive review of diagnosis and clinical presentation, etiology, treatment, and current controversies.
    World Psychiatry. 2024;23(1):4-25.
  5. Katalan C., Unterrainer HM, Gelo OCG
    Psychotherapy for complex post-traumatic stress disorder: efficacy and therapeutic factors
    Front. Psychol., 09 February 2026, Volume 17 - 2026 | https://doi.org/10.3389/fpsyg.2026.1684921