Depressie - oorzaken

Meer informatie
No items found.

Er bestaan verschillende hypothesen die de oorzaak van depressie trachten te verklaren zoals de monoamines, hpa, (inflammatoire) cytokines, afwijkingen van neurogenese en plasticiteit van de hersenen, veranderingen van structuur en functie van de hersenen en epigenetische afwijkingen. Geen enkele hypothese biedt een volledige verklaring.

Biologische factoren

Er bestaat een duidelijke biologische kwetsbaarheid voor depressie. Erfelijke aanleg speelt hierbij een rol: kinderen van ouders met een depressie hebben een verhoogde kans om zelf depressieve klachten te ontwikkelen. Uit tweelingonderzoek blijkt dat deze kwetsbaarheid deels genetisch bepaald is. Als één van een eeneiige tweeling een depressie heeft, dan heeft de ander een kans van 60% op een depressie, bij twee-eiige tweelingen is dat 20%. Kinderen van ouders met een depressie hebben een driemaal zo grote kans om zelf depressief te worden.

Neurotransmitters en stress-as

Traditioneel wordt depressie in verband gebracht met verstoringen in neurotransmitters zoals serotonine en noradrenaline. Hoewel deze systemen betrokken zijn bij stemming en gedrag, is er geen overtuigend bewijs dat een eenvoudig tekort aan serotonine de oorzaak van depressie is. Een belangrijker mechanisme lijkt de ontregeling van de stress-as (HPA-as). Langdurige stress, met name in de jeugd, kan leiden tot een blijvende overactiviteit van dit systeem. Dit heeft invloed op stemming, energie, slaap en stressgevoeligheid.

Hersenfunctie

Onderzoek met fMRI en PET laat zien dat bij depressie sprake is van veranderingen in hersenactiviteit. Zo is er vaak minder activiteit in de dorsolaterale prefrontale cortex (betrokken bij plannen en regulatie) en meer activiteit in de amygdala. Deze veranderingen zijn deels omkeerbaar: na behandeling met antidepressiva of psychotherapie kan de activiteit in deze hersengebieden normaliseren.

Immuunsysteem

Bij een deel van de mensen met een depressie is sprake van een laaggradige ontsteking, een lichte maar langdurige activatie van het immuunsysteem. Dit kan invloed hebben op neurotransmitters en hersenfunctie, bijvoorbeeld via een afname van dopamine, wat samenhangt met verminderde motivatie en energie. Hoewel deze bevindingen veelbelovend zijn, is de klinische toepasbaarheid nog beperkt en zijn er nog geen betrouwbare biomarkers voor de dagelijkse praktijk.

Microbioom

Klinische studies hebben uitgewezen dat de samenstelling van het microbioom van depressieve patiënten significant verschilt van die van gezonde personen qua diversiteit en hoeveelheden. De hersen-darmen-as vormt een veelbelovend spoor voor de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen voor depressie. Algemeen wordt immers aangenomen dat er complexe interacties bestaan tussen de hersenen en het maag-darmkanaal. Volgens recente studies zouden klassieke antidepressiva ook inwerken op de as tussen de intestinale microbiota en de hersenen. Voorzichtigheid is echter geboden bij de interpretatie van die gegevens omdat in de meeste studies niet kan worden afgeleid wat oorzaak en wat gevolg is. Een interessante vaststelling is evenwel dat veranderingen van de samenstelling van de intestinale microbiota op hun beurt invloed kunnen hebben op depressieve symptomen. Patiënten met een inflammatoire darmaandoening of een prikkelbaredarmsyndroom blijken vaker angstig en depressief te zijn.

Psychologische factoren

Psychologische factoren bepalen hoe iemand omgaat met stress en tegenslag. Negatieve denkpatronen, zoals piekeren, zelfkritiek en een sombere interpretatie van gebeurtenissen, kunnen bijdragen aan het ontstaan en voortduren van een depressie. Ook persoonlijkheidskenmerken en vroegere ervaringen, zoals traumatische gebeurtenissen of onveilige hechting, spelen een belangrijke rol. Onverwerkte ervaringen kunnen leiden tot het vermijden of onderdrukken van emoties, wat het risico op depressieve klachten vergroot.

Sociale factoren

Omgevingsfactoren zijn vaak van grote invloed. Ingrijpende gebeurtenissen, zoals verlies van een dierbare, relatieproblemen, werkloosheid of chronische stress, kunnen een depressie uitlokken, vooral bij mensen met een verhoogde kwetsbaarheid. Ook positieve veranderingen, zoals een nieuwe baan of de geboorte van een kind, kunnen stress geven en bijdragen aan het ontstaan van klachten. Sociale steun speelt een beschermende rol. Een stabiel sociaal netwerk, betekenisvolle relaties en zinvolle activiteiten kunnen bijdragen aan herstel en het voorkomen van terugval.

Depressie door een middel

Sommige medicijnen kunnen depressieve klachten veroorzaken of verergeren. Dat geldt onder meer voor bepaalde corticosteroïden, sommige hormonale middelen, enkele anti-epileptica, bepaalde antiparkinson- of andere neurologische middelen, en in specifieke gevallen middelen zoals interferon of mefloquine. Ook alcohol, drugs en onttrekking van middelen kunnen een rol spelen. In de DSM-5-TR wordt dit aangeduid als een depressieve stoornis door een middel/medicatie. Een dergelijk verband moet altijd zorgvuldig worden beoordeeld, omdat depressieve klachten meestal ontstaan door een samenspel van factoren en niet automatisch door één middel kunnen worden verklaard.

Depressieve stoornis door een somatische aandoening

Depressieve klachten kunnen ook samenhangen met een lichamelijke aandoening. In de DSM-5-TR wordt dit aangeduid als een depressieve stoornis door een somatische aandoening. Dit kan voorkomen bij onder meer neurologische aandoeningen, diabetes en schildklierstoornissen, hart- en vaatziekten, kanker, nierziekten, auto-immuunziekten en sommige infectieziekten. Ook bij chronische pijn en andere langdurige lichamelijke klachten kunnen depressieve symptomen optreden. Het is daarbij belangrijk zorgvuldig te beoordelen of sprake is van een direct somatisch verband, of van een depressie die mede ontstaat door de belasting van de ziekte.

Literatuur

Er bestaan verschillende hypothesen die de oorzaak van depressie trachten te verklaren zoals de monoamines, hpa, (inflammatoire) cytokines, afwijkingen van neurogenese en plasticiteit van de hersenen, veranderingen van structuur en functie van de hersenen en epigenetische afwijkingen. Geen enkele hypothese biedt een volledige verklaring.

Biologische factoren

Er bestaat een duidelijke biologische kwetsbaarheid voor depressie. Erfelijke aanleg speelt hierbij een rol: kinderen van ouders met een depressie hebben een verhoogde kans om zelf depressieve klachten te ontwikkelen. Uit tweelingonderzoek blijkt dat deze kwetsbaarheid deels genetisch bepaald is. Als één van een eeneiige tweeling een depressie heeft, dan heeft de ander een kans van 60% op een depressie, bij twee-eiige tweelingen is dat 20%. Kinderen van ouders met een depressie hebben een driemaal zo grote kans om zelf depressief te worden.

Neurotransmitters en stress-as

Traditioneel wordt depressie in verband gebracht met verstoringen in neurotransmitters zoals serotonine en noradrenaline. Hoewel deze systemen betrokken zijn bij stemming en gedrag, is er geen overtuigend bewijs dat een eenvoudig tekort aan serotonine de oorzaak van depressie is. Een belangrijker mechanisme lijkt de ontregeling van de stress-as (HPA-as). Langdurige stress, met name in de jeugd, kan leiden tot een blijvende overactiviteit van dit systeem. Dit heeft invloed op stemming, energie, slaap en stressgevoeligheid.

Hersenfunctie

Onderzoek met fMRI en PET laat zien dat bij depressie sprake is van veranderingen in hersenactiviteit. Zo is er vaak minder activiteit in de dorsolaterale prefrontale cortex (betrokken bij plannen en regulatie) en meer activiteit in de amygdala. Deze veranderingen zijn deels omkeerbaar: na behandeling met antidepressiva of psychotherapie kan de activiteit in deze hersengebieden normaliseren.

Immuunsysteem

Bij een deel van de mensen met een depressie is sprake van een laaggradige ontsteking, een lichte maar langdurige activatie van het immuunsysteem. Dit kan invloed hebben op neurotransmitters en hersenfunctie, bijvoorbeeld via een afname van dopamine, wat samenhangt met verminderde motivatie en energie. Hoewel deze bevindingen veelbelovend zijn, is de klinische toepasbaarheid nog beperkt en zijn er nog geen betrouwbare biomarkers voor de dagelijkse praktijk.

Microbioom

Klinische studies hebben uitgewezen dat de samenstelling van het microbioom van depressieve patiënten significant verschilt van die van gezonde personen qua diversiteit en hoeveelheden. De hersen-darmen-as vormt een veelbelovend spoor voor de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen voor depressie. Algemeen wordt immers aangenomen dat er complexe interacties bestaan tussen de hersenen en het maag-darmkanaal. Volgens recente studies zouden klassieke antidepressiva ook inwerken op de as tussen de intestinale microbiota en de hersenen. Voorzichtigheid is echter geboden bij de interpretatie van die gegevens omdat in de meeste studies niet kan worden afgeleid wat oorzaak en wat gevolg is. Een interessante vaststelling is evenwel dat veranderingen van de samenstelling van de intestinale microbiota op hun beurt invloed kunnen hebben op depressieve symptomen. Patiënten met een inflammatoire darmaandoening of een prikkelbaredarmsyndroom blijken vaker angstig en depressief te zijn.

Psychologische factoren

Psychologische factoren bepalen hoe iemand omgaat met stress en tegenslag. Negatieve denkpatronen, zoals piekeren, zelfkritiek en een sombere interpretatie van gebeurtenissen, kunnen bijdragen aan het ontstaan en voortduren van een depressie. Ook persoonlijkheidskenmerken en vroegere ervaringen, zoals traumatische gebeurtenissen of onveilige hechting, spelen een belangrijke rol. Onverwerkte ervaringen kunnen leiden tot het vermijden of onderdrukken van emoties, wat het risico op depressieve klachten vergroot.

Sociale factoren

Omgevingsfactoren zijn vaak van grote invloed. Ingrijpende gebeurtenissen, zoals verlies van een dierbare, relatieproblemen, werkloosheid of chronische stress, kunnen een depressie uitlokken, vooral bij mensen met een verhoogde kwetsbaarheid. Ook positieve veranderingen, zoals een nieuwe baan of de geboorte van een kind, kunnen stress geven en bijdragen aan het ontstaan van klachten. Sociale steun speelt een beschermende rol. Een stabiel sociaal netwerk, betekenisvolle relaties en zinvolle activiteiten kunnen bijdragen aan herstel en het voorkomen van terugval.

Depressie door een middel

Sommige medicijnen kunnen depressieve klachten veroorzaken of verergeren. Dat geldt onder meer voor bepaalde corticosteroïden, sommige hormonale middelen, enkele anti-epileptica, bepaalde antiparkinson- of andere neurologische middelen, en in specifieke gevallen middelen zoals interferon of mefloquine. Ook alcohol, drugs en onttrekking van middelen kunnen een rol spelen. In de DSM-5-TR wordt dit aangeduid als een depressieve stoornis door een middel/medicatie. Een dergelijk verband moet altijd zorgvuldig worden beoordeeld, omdat depressieve klachten meestal ontstaan door een samenspel van factoren en niet automatisch door één middel kunnen worden verklaard.

Depressieve stoornis door een somatische aandoening

Depressieve klachten kunnen ook samenhangen met een lichamelijke aandoening. In de DSM-5-TR wordt dit aangeduid als een depressieve stoornis door een somatische aandoening. Dit kan voorkomen bij onder meer neurologische aandoeningen, diabetes en schildklierstoornissen, hart- en vaatziekten, kanker, nierziekten, auto-immuunziekten en sommige infectieziekten. Ook bij chronische pijn en andere langdurige lichamelijke klachten kunnen depressieve symptomen optreden. Het is daarbij belangrijk zorgvuldig te beoordelen of sprake is van een direct somatisch verband, of van een depressie die mede ontstaat door de belasting van de ziekte.

Literatuur