Conversiestoornis (functionele neurologische symptoomstoornis)

Meer informatie
No items found.

De functionele neurologische symptoomstoornis (FNS), in de  DSM-5-TR ook nog aangeduid als conversiestoornis, is een aandoening waarbij neurologische symptomen optreden zonder dat er sprake is van structurele schade aan het zenuwstelsel. In de moderne visie wordt FNS niet langer begrepen als een “omzetting” van psychische problemen naar lichamelijke klachten, maar als een stoornis in het functioneren van hersennetwerken. Daarbij spelen processen zoals aandacht, verwachtingen, emotieregulatie en motorische controle een rol. De term functionele neurologische stoornis heeft de voorkeur boven conversiestoornis, omdat deze beter aansluit bij huidige wetenschappelijke inzichten en minder stigmatiserend is.

Historische achtergrond

De klachten die tegenwoordig worden aangeduid als functionele neurologische symptoomstoornis werden in het verleden beschreven onder de noemer hysterie. In de negentiende eeuw werden deze beelden onder andere bestudeerd door Jean-Martin Charcot, en later binnen de psychoanalyse geïnterpreteerd als een “conversie” van psychische conflicten naar lichamelijke symptomen. Hoewel deze psychodynamische benadering historisch van grote invloed is geweest, wordt zij tegenwoordig als onvoldoende beschouwd om het gehele spectrum van klachten te verklaren. Moderne inzichten richten zich minder op één onderliggend psychisch conflict en meer op het samenspel van hersenprocessen, aandacht, verwachtingen en context. De term conversiestoornis wordt nog gebruikt in de DSM-5-TR, maar de benaming functionele neurologische stoornis sluit beter aan bij deze hedendaagse inzichten en wordt daarom steeds vaker gebruikt.

Kenmerken

FNS wordt gekenmerkt door neurologische symptomen die in de presentatie lijken op neurologische aandoeningen, maar een ander mechanisme hebben. Het kan gaan om bewegingsstoornissen, krachtsverlies of verlamming, functionele aanvallen die lijken op epilepsie, gevoelsstoornissen, spraak- of slikproblemen en zintuiglijke uitval.
Kenmerkend is dat bij onderzoek positieve klinische tekenen gevonden kunnen worden die wijzen op FNS, zoals variabiliteit van symptomen, beïnvloedbaarheid door aandacht of afleiding en specifieke neurologische testbevindingen. Dit betekent dat de diagnose niet uitsluitend wordt gesteld door andere aandoeningen uit te sluiten, maar juist op basis van herkenbare patronen.  Naast de neurologische symptomen komen vaak bijkomende klachten voor, zoals pijn, vermoeidheid, slaapproblemen, concentratieproblemen en psychische klachten zoals angst of somberheid. Deze kunnen een grote invloed hebben op het dagelijks functioneren.

Oorzaken

De precieze oorzaak van FNS is nog niet volledig bekend. Recente modellen beschrijven FNS als een stoornis in het functioneren van hersennetwerken die betrokken zijn bij aandacht, verwachtingen, emotieregulatie, cognitieve controle en het gevoel van regie over het eigen handelen. Binnen deze benadering speelt het brein een actieve rol in het voorspellen en interpreteren van lichamelijke signalen. Verhoogde aandacht voor het lichaam, verwachtingen over ziekte of eerdere ervaringen kunnen ertoe bijdragen dat normale of subtiele signalen worden versterkt of verkeerd worden geïnterpreteerd. Dit kan leiden tot symptomen die voor de patiënt volledig reëel zijn, zonder dat sprake is van structurele schade aan het zenuwstelsel.  

FNS wordt tegenwoordig begrepen vanuit een biopsychosociaal model. Dat betekent dat biologische, psychologische en sociale factoren samen een rol kunnen spelen bij het ontstaan en voortbestaan van de klachten. Welke factoren van belang zijn, verschilt per patiënt. Bij sommige patiënten spelen traumatische ervaringen of stress een duidelijke rol, terwijl bij anderen eerder lichamelijk letsel, ziekte of andere uitlokkende factoren op de voorgrond staan. Een psychologische stressor is dus niet noodzakelijk voor de diagnose.  

Er bestaat daarnaast overlap met dissociatieve verschijnselen. Dissociatie kan van invloed zijn op onder meer waarneming, lichaamsbeleving en motorische controle, waardoor dissociatieve klachten soms overlappen met functionele neurologische symptomen. Ook bij trauma- en stressorgerelateerde stoornissen, met name bij complexe PTSS, kunnen klachten voorkomen die deels samenlopen met FNS.

DSM-5-TR

In de DSM-5-TR wordt de diagnose gesteld op basis van positieve klinische kenmerken en niet uitsluitend door het uitsluiten van neurologische aandoeningen. Belangrijk is dat de symptomen niet passen bij bekende neurologische ziektepatronen, maar wel herkenbare patronen vertonen die kenmerkend zijn voor functionele stoornissen. De DSM-5-TR vereist onder andere dat: er één of meer symptomen zijn van motorische of sensorische uitval, er klinische aanwijzingen zijn voor incompatibiliteit met neurologische aandoeningen en de klachten leiden tot lijdensdruk of beperkingen, of aanleiding geven tot medisch onderzoek. Er kan worden gespecificeerd naar type symptomen (bijvoorbeeld zwakte, tremor, aanvallen), duur (acuut of persisterend) en de aanwezigheid van psychische stressoren. In tegenstelling tot eerdere classificaties is het niet langer noodzakelijk om een psychologische stressor aan te tonen. De diagnose wordt gesteld op basis van positieve klinische kenmerken, doorgaans door een neuroloog, eventueel in samenwerking met andere specialisten

Prevalentie

De prevalentie is lastig exact vast te stellen, mede door verschillen in diagnostiek en herkenning. Functionele neurologische symptomen komen regelmatig voor in de neurologische praktijk. Vrouwen worden vaker gediagnosticeerd dan mannen. De stoornis kan op elke leeftijd voorkomen, maar ontstaat zelden vóór de kinderleeftijd.

Prognose

Het beloop is wisselend. Bij een deel van de patiënten verdwijnen de klachten spontaan of na uitleg en behandeling. Een gunstige prognose hangt samen met een vroege diagnose, goede uitleg en acceptatie van de diagnose. Bij langdurige klachten, ernstige beperkingen en sterk gefixeerde ziekteovertuigingen is de prognose minder gunstig en verschuift de behandeling vaak naar het verbeteren van functioneren en kwaliteit van leven.

Behandeling

Een zorgvuldige uitleg van de diagnose vormt een essentieel onderdeel van de behandeling. Het is belangrijk dat patiënten begrijpen dat hun klachten reëel zijn en niet worden ingebeeld, maar ook dat er geen sprake is van structurele schade aan het zenuwstelsel. Een heldere en consistente uitleg kan op zichzelf al leiden tot vermindering van klachten en vormt vaak de basis voor verdere behandeling.

De behandeling is doorgaans multidisciplinair en richt zich op het herstellen van functioneren. Fysiotherapie speelt daarbij een belangrijke rol, met nadruk op het opnieuw aanleren van normale bewegingspatronen en het doorbreken van disfunctionele bewegingsstrategieën. Psychologische behandeling, zoals cognitieve gedragstherapie, kan helpen bij het verminderen van klachtenversterkende aandacht, angst en vermijding, en bij het ontwikkelen van effectievere copingstrategieën.

Daarnaast is het van belang om eventuele comorbide psychiatrische stoornissen, zoals angststoornissen, depressie of traumagerelateerde klachten, adequaat te behandelen. In de afgelopen jaren is er toenemende aandacht voor geïntegreerde behandelprogramma’s voor functionele neurologische stoornissen, waarin neurologie, psychiatrie en revalidatiegeneeskunde nauw samenwerken.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR).
  • Edwards MJ, Adams RA, Brown H, Pareés I & Friston KJ. (2012). A Bayesian account of ‘hysteria’. Brain, 135, 3495–3512.
  • Perez DL et al. (2021). Neuroimaging in functional neurological disorder. NeuroImage: Clinical.
  • Stone J, Carson A & Sharpe M. (2020). Functional neurological disorder. The Lancet, 396, 156–168.
  • Zorgstandaard Functionele neurologische stoornis (FNS)

De functionele neurologische symptoomstoornis (FNS), in de  DSM-5-TR ook nog aangeduid als conversiestoornis, is een aandoening waarbij neurologische symptomen optreden zonder dat er sprake is van structurele schade aan het zenuwstelsel. In de moderne visie wordt FNS niet langer begrepen als een “omzetting” van psychische problemen naar lichamelijke klachten, maar als een stoornis in het functioneren van hersennetwerken. Daarbij spelen processen zoals aandacht, verwachtingen, emotieregulatie en motorische controle een rol. De term functionele neurologische stoornis heeft de voorkeur boven conversiestoornis, omdat deze beter aansluit bij huidige wetenschappelijke inzichten en minder stigmatiserend is.

Historische achtergrond

De klachten die tegenwoordig worden aangeduid als functionele neurologische symptoomstoornis werden in het verleden beschreven onder de noemer hysterie. In de negentiende eeuw werden deze beelden onder andere bestudeerd door Jean-Martin Charcot, en later binnen de psychoanalyse geïnterpreteerd als een “conversie” van psychische conflicten naar lichamelijke symptomen. Hoewel deze psychodynamische benadering historisch van grote invloed is geweest, wordt zij tegenwoordig als onvoldoende beschouwd om het gehele spectrum van klachten te verklaren. Moderne inzichten richten zich minder op één onderliggend psychisch conflict en meer op het samenspel van hersenprocessen, aandacht, verwachtingen en context. De term conversiestoornis wordt nog gebruikt in de DSM-5-TR, maar de benaming functionele neurologische stoornis sluit beter aan bij deze hedendaagse inzichten en wordt daarom steeds vaker gebruikt.

Kenmerken

FNS wordt gekenmerkt door neurologische symptomen die in de presentatie lijken op neurologische aandoeningen, maar een ander mechanisme hebben. Het kan gaan om bewegingsstoornissen, krachtsverlies of verlamming, functionele aanvallen die lijken op epilepsie, gevoelsstoornissen, spraak- of slikproblemen en zintuiglijke uitval.
Kenmerkend is dat bij onderzoek positieve klinische tekenen gevonden kunnen worden die wijzen op FNS, zoals variabiliteit van symptomen, beïnvloedbaarheid door aandacht of afleiding en specifieke neurologische testbevindingen. Dit betekent dat de diagnose niet uitsluitend wordt gesteld door andere aandoeningen uit te sluiten, maar juist op basis van herkenbare patronen.  Naast de neurologische symptomen komen vaak bijkomende klachten voor, zoals pijn, vermoeidheid, slaapproblemen, concentratieproblemen en psychische klachten zoals angst of somberheid. Deze kunnen een grote invloed hebben op het dagelijks functioneren.

Oorzaken

De precieze oorzaak van FNS is nog niet volledig bekend. Recente modellen beschrijven FNS als een stoornis in het functioneren van hersennetwerken die betrokken zijn bij aandacht, verwachtingen, emotieregulatie, cognitieve controle en het gevoel van regie over het eigen handelen. Binnen deze benadering speelt het brein een actieve rol in het voorspellen en interpreteren van lichamelijke signalen. Verhoogde aandacht voor het lichaam, verwachtingen over ziekte of eerdere ervaringen kunnen ertoe bijdragen dat normale of subtiele signalen worden versterkt of verkeerd worden geïnterpreteerd. Dit kan leiden tot symptomen die voor de patiënt volledig reëel zijn, zonder dat sprake is van structurele schade aan het zenuwstelsel.  

FNS wordt tegenwoordig begrepen vanuit een biopsychosociaal model. Dat betekent dat biologische, psychologische en sociale factoren samen een rol kunnen spelen bij het ontstaan en voortbestaan van de klachten. Welke factoren van belang zijn, verschilt per patiënt. Bij sommige patiënten spelen traumatische ervaringen of stress een duidelijke rol, terwijl bij anderen eerder lichamelijk letsel, ziekte of andere uitlokkende factoren op de voorgrond staan. Een psychologische stressor is dus niet noodzakelijk voor de diagnose.  

Er bestaat daarnaast overlap met dissociatieve verschijnselen. Dissociatie kan van invloed zijn op onder meer waarneming, lichaamsbeleving en motorische controle, waardoor dissociatieve klachten soms overlappen met functionele neurologische symptomen. Ook bij trauma- en stressorgerelateerde stoornissen, met name bij complexe PTSS, kunnen klachten voorkomen die deels samenlopen met FNS.

DSM-5-TR

In de DSM-5-TR wordt de diagnose gesteld op basis van positieve klinische kenmerken en niet uitsluitend door het uitsluiten van neurologische aandoeningen. Belangrijk is dat de symptomen niet passen bij bekende neurologische ziektepatronen, maar wel herkenbare patronen vertonen die kenmerkend zijn voor functionele stoornissen. De DSM-5-TR vereist onder andere dat: er één of meer symptomen zijn van motorische of sensorische uitval, er klinische aanwijzingen zijn voor incompatibiliteit met neurologische aandoeningen en de klachten leiden tot lijdensdruk of beperkingen, of aanleiding geven tot medisch onderzoek. Er kan worden gespecificeerd naar type symptomen (bijvoorbeeld zwakte, tremor, aanvallen), duur (acuut of persisterend) en de aanwezigheid van psychische stressoren. In tegenstelling tot eerdere classificaties is het niet langer noodzakelijk om een psychologische stressor aan te tonen. De diagnose wordt gesteld op basis van positieve klinische kenmerken, doorgaans door een neuroloog, eventueel in samenwerking met andere specialisten

Prevalentie

De prevalentie is lastig exact vast te stellen, mede door verschillen in diagnostiek en herkenning. Functionele neurologische symptomen komen regelmatig voor in de neurologische praktijk. Vrouwen worden vaker gediagnosticeerd dan mannen. De stoornis kan op elke leeftijd voorkomen, maar ontstaat zelden vóór de kinderleeftijd.

Prognose

Het beloop is wisselend. Bij een deel van de patiënten verdwijnen de klachten spontaan of na uitleg en behandeling. Een gunstige prognose hangt samen met een vroege diagnose, goede uitleg en acceptatie van de diagnose. Bij langdurige klachten, ernstige beperkingen en sterk gefixeerde ziekteovertuigingen is de prognose minder gunstig en verschuift de behandeling vaak naar het verbeteren van functioneren en kwaliteit van leven.

Behandeling

Een zorgvuldige uitleg van de diagnose vormt een essentieel onderdeel van de behandeling. Het is belangrijk dat patiënten begrijpen dat hun klachten reëel zijn en niet worden ingebeeld, maar ook dat er geen sprake is van structurele schade aan het zenuwstelsel. Een heldere en consistente uitleg kan op zichzelf al leiden tot vermindering van klachten en vormt vaak de basis voor verdere behandeling.

De behandeling is doorgaans multidisciplinair en richt zich op het herstellen van functioneren. Fysiotherapie speelt daarbij een belangrijke rol, met nadruk op het opnieuw aanleren van normale bewegingspatronen en het doorbreken van disfunctionele bewegingsstrategieën. Psychologische behandeling, zoals cognitieve gedragstherapie, kan helpen bij het verminderen van klachtenversterkende aandacht, angst en vermijding, en bij het ontwikkelen van effectievere copingstrategieën.

Daarnaast is het van belang om eventuele comorbide psychiatrische stoornissen, zoals angststoornissen, depressie of traumagerelateerde klachten, adequaat te behandelen. In de afgelopen jaren is er toenemende aandacht voor geïntegreerde behandelprogramma’s voor functionele neurologische stoornissen, waarin neurologie, psychiatrie en revalidatiegeneeskunde nauw samenwerken.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR).
  • Edwards MJ, Adams RA, Brown H, Pareés I & Friston KJ. (2012). A Bayesian account of ‘hysteria’. Brain, 135, 3495–3512.
  • Perez DL et al. (2021). Neuroimaging in functional neurological disorder. NeuroImage: Clinical.
  • Stone J, Carson A & Sharpe M. (2020). Functional neurological disorder. The Lancet, 396, 156–168.
  • Zorgstandaard Functionele neurologische stoornis (FNS)