Bij een dwangmatige persoonlijkheidsstoornis is er sprake van een duurzaam patroon van sterke gerichtheid op orde, controle, perfectionisme en regels, vaak ten koste van flexibiliteit, openheid en het vermogen om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden. Mensen met deze persoonlijkheidsstoornis zijn vaak zorgvuldig, plichtsgetrouw en verantwoordelijk. Zij stellen hoge eisen aan zichzelf en vaak ook aan anderen, en hebben een sterke behoefte om dingen “goed”, “juist” of “volgens de regels” te doen. Dat kan helpend zijn, maar wordt problematisch wanneer de behoefte aan controle en perfectie zo groot wordt dat het leidt tot spanning, rigiditeit of vastlopen in het dagelijks functioneren.
Veel mensen met deze persoonlijkheidsstoornis ervaren een voortdurende innerlijke druk om fouten te voorkomen, controle te behouden of aan hoge normen te voldoen. Zij kunnen moeite hebben met het delegeren van taken, het maken van keuzes, het loslaten van details of het afronden van werk, omdat het nooit “goed genoeg” voelt. Tegelijk kan er sprake zijn van sterke zelfkritiek en een gevoel tekort te schieten.Gevoelens zoals boosheid, kwetsbaarheid of afhankelijkheid worden vaak minder gemakkelijk toegelaten en eerder onder controle gehouden. Naar buiten toe kan iemand aangepast, beheerst of rationeel overkomen, terwijl er van binnen spanning, frustratie of innerlijk conflict aanwezig is. In relaties kan de sterke behoefte aan controle, orde of gelijk hebben tot spanningen leiden, bijvoorbeeld wanneer flexibiliteit of wederkerigheid nodig is.
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen deze persoonlijkheidsstoornis en een obsessief-compulsieve stoornis (OCS). Bij OCS staan dwanggedachten en dwanghandelingen op de voorgrond die als hinderlijk en vreemd worden ervaren, terwijl bij de dwangmatige persoonlijkheidsstoornis het patroon meer verweven is met iemands persoonlijkheid en vaak als passend of logisch wordt beleefd.
DSM-5-TR
Volgens de DSM-5-TR is er sprake van een dwangmatige persoonlijkheidsstoornis bij een pervasief patroon van preoccupatie met ordelijkheid, perfectionisme en controle, ten koste van flexibiliteit, openheid en efficiëntie, beginnend op jongvolwassen leeftijd en tot uiting komend in uiteenlopende contexten, zoals blijkt uit vier (of meer) van de volgende kenmerken:
- Is gepreoccupeerd met details, regels, lijsten, orde, organisatie of schema’s, zozeer dat het eigenlijke doel van de activiteit uit het oog verloren wordt.
- Toont perfectionisme dat interfereert met het voltooien van taken.
- Is excessief toegewijd aan werk en productiviteit, met uitsluiting van ontspanning en sociale activiteiten.
- Is overmatig consciëntieus, scrupuleus en inflexibel in zaken van moraliteit, ethiek of waarden.
- Is niet in staat om versleten of waardeloze voorwerpen weg te gooien.
- Is onwillig om taken te delegeren, tenzij anderen zich volledig aanpassen aan zijn of haar manier van werken.
- Is zuinig of krampachtig in het omgaan met geld, vanuit een behoefte aan controle of zekerheid.
- Toont rigiditeit en koppigheid.
Behandeling
Behandeling richt zich meestal op het vergroten van flexibiliteit, zelfcompassie en het beter verdragen van onzekerheid en imperfectie. In psychotherapie wordt vaak gewerkt aan het herkennen van rigide denk- en gedragspatronen, het verminderen van overmatige zelfkritiek, en het ontwikkelen van meer ruimte voor gevoel, ontspanning en variatie in gedrag. Ook wordt aandacht besteed aan controlebehoefte, perfectionisme en de onderliggende angst voor fouten, afwijzing of verlies van grip. Het doel is niet om structuur of zorgvuldigheid kwijt te raken, maar om daar soepeler mee om te kunnen gaan.
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Association Publishing.
- Beck AT, Davis DD & Freeman A. (2015). Cognitive therapy of personality disorders (3rd ed.). Guilford Press.
- Cain NM, Ansell EB., Simpson HB & Pinto A. (2015). Interpersonal functioning in obsessive-compulsive personality disorder. Journal of Personality Assessment, 97(1), 90–99.
- Richtlijn persoonlijkheidsstoornissen
- Zorgstaandaard persoonlijkheidsstoornissen