Antisociale persoonlijkheidsstoornis

Meer informatie
No items found.

Bij een antisociale persoonlijkheidsstoornis is er sprake van een hardnekkig patroon van het schenden van regels, grenzen en rechten van anderen. Mensen met deze persoonlijkheidsstoornis handelen vaak impulsief, onverantwoordelijk of agressief en houden daarbij onvoldoende rekening met de gevolgen voor zichzelf of voor anderen. Problemen ontstaan vaak op meerdere terreinen tegelijk, zoals in relaties, werk, financiën of contact met justitie.

Vaak is er al vanaf jonge leeftijd sprake van normoverschrijdend gedrag, zoals liegen, manipuleren, agressie, vernieling, diefstal of herhaald overtreden van regels. Op volwassen leeftijd kan dit zich voortzetten in de vorm van bedrog, roekeloosheid, conflicten, geweld, uitbuiting van anderen of chronisch onverantwoord gedrag. Niet iedereen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis vertoont dezelfde ernst of dezelfde vorm van gedrag, maar terugkerende problemen met grenzen, empathie, verantwoordelijkheid en impulsbeheersing staan vaak centraal.

Mensen met deze persoonlijkheidsstoornis kunnen moeite hebben om zich echt te verplaatsen in de gevolgen van hun gedrag voor anderen. Soms is er weinig berouw of wordt schadelijk gedrag vooral gebagatelliseerd of gerechtvaardigd. Tegelijk ervaren zij zelf vaak ook klachten, zoals prikkelbaarheid, spanningsgevoelens, snel verveeld raken, somberheid, frustratie, middelengebruik of relationele en maatschappelijke ontregeling.

Sommige mensen met antisociale trekken kunnen sociaal vaardig, charmant of overtuigend overkomen. Dat maakt dat problemen niet altijd meteen zichtbaar zijn. De stoornis wordt daarom niet bepaald door “hoe iemand overkomt”, maar door een duurzaam patroon van gedrag, omgang met anderen en maatschappelijke ontregeling.

Prevalentie

Een antisociale persoonlijkheidsstoornis komt in de algemene bevolking duidelijk minder vaak voor dan in forensische settings. In epidemiologisch onderzoek wordt vaak uitgegaan van een prevalentie van ongeveer 3% bij mannen en 1% bij vrouwen. In gevangenispopulaties en forensische zorg ligt dit percentage veel hoger. Tegelijk geldt dat niet iedereen met deze persoonlijkheidsstoornis ernstige criminele feiten pleegt, en dat niet alle mensen met delictgedrag voldoen aan de criteria voor een antisociale persoonlijkheidsstoornis

DSM-5-TR

Volgens de DSM-5-TR is er sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis bij een diepgaand patroon van gebrek aan respect voor en schending van de rechten van anderen, aanwezig vanaf de leeftijd van vijftien jaar. Er moet sprake zijn van ten minste drie van de volgende kenmerken:

  1. Zich herhaaldelijk niet kunnen conformeren aan sociale normen of wetten.
  2. Onbetrouwbaarheid of bedrieglijk gedrag, zoals liegen, gebruik van aliassen of anderen misleiden voor persoonlijk gewin of plezier.
  3. Impulsiviteit of onvermogen om vooruit te plannen.
  4. Prikkelbaarheid en agressiviteit, bijvoorbeeld herhaaldelijke vechtpartijen of geweld.
  5. Roekeloze onverschilligheid voor de veiligheid van zichzelf of anderen.
  6. Constante onverantwoordelijkheid, bijvoorbeeld op werkgebied of in financiële verplichtingen.
  7. Gebrek aan berouw, bijvoorbeeld onverschilligheid of rationalisering nadat iemand schade is toegebracht.

Daarnaast moet de betrokkene minstens 18 jaar oud zijn en moeten er aanwijzingen zijn voor een normoverschrijdende gedragsstoornis vóór de leeftijd van 15 jaar. Het gedrag mag niet uitsluitend optreden tijdens schizofrenie of een bipolaire stemmingsstoornis.

Beloop

Het beloop is vaak langdurig, maar niet volledig statisch. Openlijk agressief of crimineel gedrag neemt bij een deel van de mensen af met het ouder worden, terwijl problemen op het gebied van relaties, verantwoordelijkheid, middelengebruik of empathisch functioneren kunnen blijven bestaan. Comorbiditeit met verslaving, depressie, angst of andere persoonlijkheidsproblematiek komt vaak voor.  

Behandeling

Behandeling is meestal niet eenvoudig en vraagt vaak een duidelijke, consistente en begrenzende aanpak. Mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis zoeken niet altijd zelf hulp voor hun antisociale gedrag, maar komen vaker in zorg vanwege bijkomende problemen zoals verslaving, agressie, depressieve klachten, relationele ontregeling of juridische problemen. Volgens de NICE-richtlijn is behandeling vooral gericht op het verminderen van antisociaal gedrag, impulsiviteit, agressie en terugval, en op het behandelen van bijkomende stoornissen zoals middelenmisbruik, angst of depressie. Een bestraffende of vijandige benadering werkt meestal averechts; een duidelijke, motiverende en gestructureerde behandelstijl is effectiever.  

Literatuur

Bij een antisociale persoonlijkheidsstoornis is er sprake van een hardnekkig patroon van het schenden van regels, grenzen en rechten van anderen. Mensen met deze persoonlijkheidsstoornis handelen vaak impulsief, onverantwoordelijk of agressief en houden daarbij onvoldoende rekening met de gevolgen voor zichzelf of voor anderen. Problemen ontstaan vaak op meerdere terreinen tegelijk, zoals in relaties, werk, financiën of contact met justitie.

Vaak is er al vanaf jonge leeftijd sprake van normoverschrijdend gedrag, zoals liegen, manipuleren, agressie, vernieling, diefstal of herhaald overtreden van regels. Op volwassen leeftijd kan dit zich voortzetten in de vorm van bedrog, roekeloosheid, conflicten, geweld, uitbuiting van anderen of chronisch onverantwoord gedrag. Niet iedereen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis vertoont dezelfde ernst of dezelfde vorm van gedrag, maar terugkerende problemen met grenzen, empathie, verantwoordelijkheid en impulsbeheersing staan vaak centraal.

Mensen met deze persoonlijkheidsstoornis kunnen moeite hebben om zich echt te verplaatsen in de gevolgen van hun gedrag voor anderen. Soms is er weinig berouw of wordt schadelijk gedrag vooral gebagatelliseerd of gerechtvaardigd. Tegelijk ervaren zij zelf vaak ook klachten, zoals prikkelbaarheid, spanningsgevoelens, snel verveeld raken, somberheid, frustratie, middelengebruik of relationele en maatschappelijke ontregeling.

Sommige mensen met antisociale trekken kunnen sociaal vaardig, charmant of overtuigend overkomen. Dat maakt dat problemen niet altijd meteen zichtbaar zijn. De stoornis wordt daarom niet bepaald door “hoe iemand overkomt”, maar door een duurzaam patroon van gedrag, omgang met anderen en maatschappelijke ontregeling.

Prevalentie

Een antisociale persoonlijkheidsstoornis komt in de algemene bevolking duidelijk minder vaak voor dan in forensische settings. In epidemiologisch onderzoek wordt vaak uitgegaan van een prevalentie van ongeveer 3% bij mannen en 1% bij vrouwen. In gevangenispopulaties en forensische zorg ligt dit percentage veel hoger. Tegelijk geldt dat niet iedereen met deze persoonlijkheidsstoornis ernstige criminele feiten pleegt, en dat niet alle mensen met delictgedrag voldoen aan de criteria voor een antisociale persoonlijkheidsstoornis

DSM-5-TR

Volgens de DSM-5-TR is er sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis bij een diepgaand patroon van gebrek aan respect voor en schending van de rechten van anderen, aanwezig vanaf de leeftijd van vijftien jaar. Er moet sprake zijn van ten minste drie van de volgende kenmerken:

  1. Zich herhaaldelijk niet kunnen conformeren aan sociale normen of wetten.
  2. Onbetrouwbaarheid of bedrieglijk gedrag, zoals liegen, gebruik van aliassen of anderen misleiden voor persoonlijk gewin of plezier.
  3. Impulsiviteit of onvermogen om vooruit te plannen.
  4. Prikkelbaarheid en agressiviteit, bijvoorbeeld herhaaldelijke vechtpartijen of geweld.
  5. Roekeloze onverschilligheid voor de veiligheid van zichzelf of anderen.
  6. Constante onverantwoordelijkheid, bijvoorbeeld op werkgebied of in financiële verplichtingen.
  7. Gebrek aan berouw, bijvoorbeeld onverschilligheid of rationalisering nadat iemand schade is toegebracht.

Daarnaast moet de betrokkene minstens 18 jaar oud zijn en moeten er aanwijzingen zijn voor een normoverschrijdende gedragsstoornis vóór de leeftijd van 15 jaar. Het gedrag mag niet uitsluitend optreden tijdens schizofrenie of een bipolaire stemmingsstoornis.

Beloop

Het beloop is vaak langdurig, maar niet volledig statisch. Openlijk agressief of crimineel gedrag neemt bij een deel van de mensen af met het ouder worden, terwijl problemen op het gebied van relaties, verantwoordelijkheid, middelengebruik of empathisch functioneren kunnen blijven bestaan. Comorbiditeit met verslaving, depressie, angst of andere persoonlijkheidsproblematiek komt vaak voor.  

Behandeling

Behandeling is meestal niet eenvoudig en vraagt vaak een duidelijke, consistente en begrenzende aanpak. Mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis zoeken niet altijd zelf hulp voor hun antisociale gedrag, maar komen vaker in zorg vanwege bijkomende problemen zoals verslaving, agressie, depressieve klachten, relationele ontregeling of juridische problemen. Volgens de NICE-richtlijn is behandeling vooral gericht op het verminderen van antisociaal gedrag, impulsiviteit, agressie en terugval, en op het behandelen van bijkomende stoornissen zoals middelenmisbruik, angst of depressie. Een bestraffende of vijandige benadering werkt meestal averechts; een duidelijke, motiverende en gestructureerde behandelstijl is effectiever.  

Literatuur