Mensen met een verzamelstoornis, ook wel hoarding genoemd, hebben een aanhoudende moeite om spullen weg te doen of er afstand van te nemen, ongeacht de werkelijke waarde ervan. Het gaat niet simpelweg om “slordig zijn” of veel bewaren, maar om een patroon waarbij voorwerpen steeds moeilijker kunnen worden weggegooid, omdat ze als mogelijk nuttig, waardevol, uniek of emotioneel belangrijk worden ervaren. Daardoor kunnen zich in de loop van de tijd steeds meer spullen opstapelen. Woonruimtes raken dan vol, onoverzichtelijk en soms nauwelijks nog bruikbaar voor hun oorspronkelijke functie. Bijvoorbeeld: een bed waarop niet meer geslapen kan worden, een tafel waaraan niet meer gegeten kan worden of kamers die bijna niet meer toegankelijk zijn.
Veel mensen met hoarding ervaren veel spanning, twijfel of verdriet bij het idee om spullen weg te doen. Het bewaren geeft vaak een gevoel van veiligheid, controle of geruststelling, terwijl wegdoen juist als verlies, risico of iets “fouts” kan voelen. Bij een deel van de mensen is het ziekte-inzicht beperkt: zij ervaren hun gedrag niet of nauwelijks als problematisch, ook als de gevolgen voor henzelf of hun omgeving duidelijk zijn.
Hoarding behoort in de DSM-5-TR tot de obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen, maar verschilt op belangrijke punten van klassieke OCD. Bij hoarding staan meestal niet zozeer dwanggedachten en neutraliserende rituelen op de voorgrond, maar eerder moeite met beslissen, sterke gehechtheid aan bezittingen, vermijding, uitstel en angst voor verlies.
De stoornis begint vaak al in de adolescentie of vroege volwassenheid, maar wordt meestal pas op latere leeftijd echt zichtbaar of problematisch. Het beloop is vaak chronisch en geleidelijk progressief.
Oorzaken
Er is niet één duidelijke oorzaak van hoarding. Meestal ontstaat de stoornis door een samenspel van psychologische kwetsbaarheid, cognitieve problemen, emotionele betekenisverlening en gewoontevorming. Veel mensen met hoarding hebben moeite met beslissen, ordenen, prioriteren en loslaten. Het kan lastig zijn om te bepalen wat belangrijk is en wat niet, waardoor bijna alles “voor de zekerheid” bewaard blijft. Daarnaast hebben bezittingen vaak een sterke emotionele of symbolische waarde: spullen kunnen voelen als een verlengstuk van herinneringen, identiteit, veiligheid of toekomstige mogelijkheden.
Ook vermijding speelt een grote rol. Opruimen roept vaak spanning, twijfel, schuldgevoel of verdriet op. Daardoor wordt het uitgesteld, wat op korte termijn opluchting geeft, maar op langere termijn juist bijdraagt aan verdere opstapeling. Zo kan een hardnekkig patroon ontstaan.
Waarschijnlijk spelen ook erfelijke en neurobiologische factoren een rol. Onderzoek wijst erop dat hoarding deels familiair voorkomt en dat problemen in aandacht, executieve functies, besluitvorming en emotieregulatie kunnen bijdragen aan het ontstaan en in stand houden van de klachten. Daarnaast komen depressieve klachten, angststoornissen en ADHD relatief vaak samen voor met hoarding.
Hoarding is dus meestal niet het gevolg van “luiheid” of “onwil”, maar van een complex patroon van gehechtheid, angst, vermijding, besluitvormingsproblemen en gewoontevorming.
Behandeling
De behandeling van hoarding bestaat meestal uit cognitieve gedragstherapie (CGT) die specifiek is aangepast aan verzamelproblemen. Daarbij wordt gewerkt aan verschillende onderdelen tegelijk: het beter leren herkennen van gedachten over bewaren en wegdoen, het verminderen van vermijding, het oefenen met beslissen en ordenen, en het stap voor stap opruimen en afstand doen van spullen. Een belangrijk onderdeel van de behandeling is dat iemand leert verdragen dat opruimen spanning, twijfel of verliesgevoelens oproept. Juist door die gevoelens niet steeds te vermijden, kan de angst of innerlijke onrust geleidelijk afnemen. In de behandeling wordt vaak ook aandacht besteed aan motivatie en ziekte-inzicht, omdat dat bij hoarding vaak een belangrijke rol speelt.
De behandelresultaten zijn wisselend. Sommige mensen verbeteren duidelijk, maar behandeling is vaak langdurig en intensief, en volledig herstel is niet altijd haalbaar. Ook terugval komt geregeld voor. Wanneer er daarnaast sprake is van bijvoorbeeld depressie, angst of ADHD, is het belangrijk om die klachten mee te nemen in de behandeling. Medicatie kan soms worden overwogen, maar de wetenschappelijke onderbouwing daarvoor is beperkt. Psychotherapie vormt daarom meestal het uitgangspunt.
Report published by the US Senate Special Committee on Aging (VS)
Report published by the US Senate Special Committee on Aging is calling for a national coordinated response to what the authors claim may be an emerging hoarding disorder (HD) crisis. HD affects roughly 2% of the overall population but up to 6% of all people older than 70 years, the report stated. Older adults made up about 16% of the US population in 2019. By 2060, that proportion is projected to soar to 25%.
Much about HD’s etiology remains unknown. Often beginning in early adolescence, HD is a chronic and progressive condition, with genetics and trauma playing a role in its onset and course.
Between 50% and 85% of people with HD symptoms have family members with similar behavior. HD is often comorbid with other psychiatric and medical disorders, which can complicate treatment. Results of a 2022 study showed that compared with healthy control individuals, people with HD had widespread abnormalities in the prefrontal white matter tract which connects cortical regions involved in executive functioning, including working memory, attention, reward processing, and decision-making. Some research also suggests that dysregulation of serotonin transmission may contribute to compulsive behaviors and the difficulty in letting go of possessions.
DSM-5-TR
Volgens de DSM-5-TR is er sprake van een verzamelstoornis wanneer iemand aanhoudend moeite heeft om bezittingen weg te doen of er afstand van te nemen, ongeacht hun werkelijke waarde. Die moeite hangt samen met een sterke behoefte om spullen te bewaren en met duidelijke spanning of onrust bij het idee om iets weg te doen. Daardoor ontstaat een opeenhoping van spullen die woonruimtes zodanig vult of belemmert dat deze niet meer goed voor hun oorspronkelijke doel gebruikt kunnen worden, tenzij anderen ingrijpen. Daarnaast moeten de klachten leiden tot klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren, bijvoorbeeld thuis, sociaal of op het gebied van veiligheid.
Het gedrag mag niet beter verklaard worden door een lichamelijke aandoening, zoals hersenletsel, of door een andere psychische stoornis, zoals een depressieve stoornis, psychotische stoornis, neurocognitieve stoornis of autismespectrumstoornis.
Binnen de DSM-5-TR wordt daarnaast gekeken naar het ziekte-inzicht: dat kan goed of redelijk zijn, maar ook gering of vrijwel afwezig. Ook kan worden gespecificeerd of er sprake is van excessief verwerven, dus het overmatig aanschaffen of meenemen van spullen die eigenlijk niet nodig zijn.
Diagnostiek
Bij het in kaart brengen van hoardingklachten kan gebruik worden gemaakt van vragenlijsten en beoordelingsinstrumenten, zoals de Hoarding Rating Scale -SR, de Saving Inventory - revised en de Clutter Image Rating. In de praktijk is het vaak ook belangrijk om zicht te krijgen op de feitelijke situatie thuis, omdat mensen de ernst van de opstapeling soms onderschatten of juist moeilijk onder woorden kunnen brengen.
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Association Publishing.
- Bodryzlova Y, Audet, J-S, Bergeron K, O'Connor K. Group cognitive-behavioural therapy for hoarding disorder: Systematic review and meta-analysis.
Health Soc Care Community. 2019; 27: 517– 530 - Frost RO, Steketee G & Grisham J. (2004). Measurement of compulsive hoarding: Saving Inventory-Revised. Behaviour Research and Therapy, 42(10), 1163–1182.
- Frost RO, Steketee G Tolin, DF & Renaud S. (2008). Development and validation of the Clutter Image Rating. Journal of Psychopathology and Behavioral Assessment, 30, 193–203.
- Mataix-Cols D. Clinical practice. Hoarding disorder. N Engl J Med. 2014 May 22;370(21):2023-30.
- Nordsletten AE, Mataix-Cols D Hoarding versus collecting: where does pathology diverge from play? Clin Psychol Rev. 2012 Apr;32(3):165-76
- Rodgers N, McDonald S, Wootton BM. Cognitive behavioral therapy for hoarding disorder: An updated meta-analysis. J Affect Disord., Volume 290, 2021, 128-135.
- Tolin DF, Frost RO & Steketee G. (2010). A brief interview for assessing compulsive hoarding: The Hoarding Rating Scale-Interview. Psychiatry Research, 178(1), 147–152.