De dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) is een ernstige dissociatieve stoornis waarbij sprake is van een verstoring in de integratie van identiteit, geheugen en bewustzijn. Mensen met DIS ervaren verschillende, relatief gescheiden toestanden van zichzelf, die gepaard kunnen gaan met duidelijke wisselingen in denken, voelen, waarnemen en handelen. Het gaat niet om het bestaan van meerdere afzonderlijke “personen”, maar om één persoon bij wie de samenhang tussen verschillende zelftoestanden onvoldoende geïntegreerd is. Binnen hedendaagse klinische modellen wordt DIS daarom meestal begrepen als een stoornis in de continuïteit van het zelf, waarbij verschillende delen van de ervaring onvoldoende met elkaar verbonden zijn. DIS wordt beschouwd als de meest complexe stoornis binnen het dissociatieve spectrum. De klachten gaan vaak gepaard met hoge lijdensdruk, ernstige ontregeling en beperkingen in het dagelijks functioneren.
DSM-5-TR
De DSM-5-TR benadrukt dat het bij DIS niet alleen gaat om identiteitsverandering, maar óók om discontinuïteit van het zelf én amnestische barrières tussen ervaringen of toestanden. Juist die combinatie maakt de stoornis diagnostisch onderscheidend.
Er is sprake van terugkerende hiaten in het geheugen voor alledaagse gebeurtenissen, belangrijke persoonlijke informatie en/of traumatische gebeurtenissen, die niet passen bij gewone vergeetachtigheid.
De symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale, beroepsmatige of andere belangrijke functioneren. De stoornis maakt geen normaal onderdeel uit van breed geaccepteerde culturele of religieuze praktijken. Bij kinderen mogen de verschijnselen niet beter verklaard worden door fantasievrienden of ander fantasierijk spel. De symptomen kunnen niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals black-outs of chaotisch gedrag tijdens intoxicatie) of aan een somatische aandoening (zoals complexe partiële epileptische aanvallen).
Ontstaan
In de praktijk wordt DIS meestal het best begrepen als een multifactoriële stoornis, waarin traumatische ervaringen, ontwikkelingskwetsbaarheid, hechting, emotieregulatie en context samenkomen. Het traumaperspectief beschouwt DIS vooral als een reactie op chronische en ernstige traumatisering in de vroege kindertijd, vaak in een context van afhankelijkheid en onveiligheid. Binnen dit model wordt dissociatie gezien als een overlevingsstrategie: ervaringen, emoties en herinneringen raken onvoldoende geïntegreerd, omdat zij voor het kind psychisch niet goed hanteerbaar zijn.
Binnen de theorie van de structurele dissociatie wordt DIS beschreven als een toestand waarin verschillende psychobiologische systemen of zelftoestanden onvoldoende geïntegreerd zijn geraakt. Deze toestanden kunnen verschillende functies vervullen, bijvoorbeeld gericht op dagelijks functioneren, bescherming, vermijding of het dragen van traumatische herinneringen en emoties.
Naast dit model bestaat het sociocognitieve perspectief, dat meer nadruk legt op verwachtingen, interpretatiekaders, suggestie en culturele invloeden. Binnen de huidige zorgstandaard wordt erkend dat er geen volledige consensus bestaat over de etiologie.
Symptomen
Een van de meest kenmerkende symptomen van DIS is dissociatieve amnesie. Mensen kunnen perioden van tijd “kwijt” zijn, variërend van minuten tot uren, dagen of soms langer. Er kunnen hiaten zijn in het autobiografisch geheugen, maar ook in het dagelijks functioneren. Iemand kan zich bijvoorbeeld niet herinneren hoe hij ergens is gekomen, een gesprek heeft gevoerd of bepaalde handelingen heeft verricht. Vaak bestaat al langer het gevoel dat het geheugen voor de jeugd fragmentarisch of onvolledig is.
Daarnaast komen depersonalisatie en derealisatie veel voor. Mensen kunnen zich vervreemd voelen van zichzelf, hun lichaam of hun emoties, of het gevoel hebben alsof zij op afstand naar zichzelf kijken. Ook kan de omgeving vreemd, vlak, onwerkelijk of kunstmatig aanvoelen.
Een ander belangrijk kenmerk is identiteitsverwarring. Veel patiënten beschrijven een voortdurende innerlijke verdeeldheid, met tegenstrijdige gevoelens, impulsen, overtuigingen of wensen. Dat kan zich uiten in twijfel, innerlijke strijd, wisselende voorkeuren of het gevoel niet goed te weten “wie je bent”.
Bij sommige mensen is daarnaast sprake van identiteitsverandering of identiteitsfragmentatie, waarbij een andere zelftoestand tijdelijk meer op de voorgrond staat. Die toestanden kunnen verschillen in gedrag, emotionele toon, lichaamshouding, waarneming of overtuigingen. Dat hoeft niet altijd spectaculair zichtbaar te zijn; vaak zijn de verschuivingen subtieler dan in populaire beeldvorming wordt gesuggereerd.
Naast de kernsymptomen komen vaak aanvullende klachten voor. Veel patiënten rapporteren het horen van stemmen, meestal intern gelokaliseerd. Deze stemmen kunnen commentaar geven, met elkaar in gesprek zijn of opdrachten geven. Ze worden vaak begrepen als uitingen van verschillende delen van de persoonlijkheid. Daarnaast komen depressieve klachten, angst, suïcidaliteit en zelfbeschadiging frequent voor. Ook zijn er vaak klachten passend bij posttraumatische stress, zoals herbelevingen, nachtmerries en verhoogde prikkelbaarheid. Comorbiditeit is eerder regel dan uitzondering, met name met PTSS, stemmingsstoornissen en persoonlijkheidsproblematiek.
Prevalentie
DIS wordt in de klinische praktijk waarschijnlijk nog altijd onderkend. In de algemene bevolking wordt de prevalentie meestal geschat op ongeveer 1–3%. In klinische populaties worden hogere cijfers gevonden, doorgaans tussen 1 en 7%, afhankelijk van de onderzochte groep en de gebruikte diagnostische methode. In Nederlands onderzoek onder opgenomen psychiatrische patiënten werd bij ongeveer 2% de diagnose DIS vastgesteld. In de klinische praktijk wordt DIS vaker bij vrouwen gediagnosticeerd dan bij mannen, hoewel dissociatieve symptomen in de algemene bevolking waarschijnlijk minder sterk seksegebonden zijn dan soms wordt gedacht.
Diagnostiek
De diagnostiek van DIS is complex en vraagt specialistische expertise. De diagnose wordt niet gesteld op basis van één opvallend verschijnsel, maar op grond van een samenhangend patroon van symptomen, waaronder geheugenlacunes, identiteitsdiscontinuïteit en andere dissociatieve verschijnselen. Volgens de zorgstandaard vindt diagnostiek bij voorkeur plaats binnen de gespecialiseerde ggz en wordt gebruikgemaakt van meerdere informatiebronnen. Heteroanamnese kan daarbij behulpzaam zijn, omdat patiënten zelf niet altijd goed zicht hebben op alle verschijnselen. Een belangrijk instrument is de SCID-D, een gestructureerd interview waarmee verschillende dimensies van dissociatie systematisch in kaart kunnen worden gebracht, zoals amnesie, depersonalisatie, derealisatie en identiteitsverandering. .
Behandeling
De behandeling van DIS is doorgaans langdurig en psychotherapeutisch van aard. In de praktijk wordt meestal gewerkt volgens een fasegericht model, waarin stabilisatie, traumaverwerking en integratie centraal staan. In de eerste fase ligt de nadruk op veiligheid, emotieregulatie, symptoomreductie en het opbouwen van een stabiele behandelrelatie. Voor veel patiënten is deze fase cruciaal, omdat dissociatieve klachten vaak toenemen bij stress, relationele spanning of te snelle confrontatie met traumatisch materiaal. Pas wanneer er voldoende stabiliteit is bereikt, kan traumaverwerking aan de orde komen. Dit gebeurt zorgvuldig en gefaseerd, met aandacht voor draagkracht, samenwerking tussen zelftoestanden en het voorkomen van overbelasting. Het uiteindelijke doel van de behandeling is meestal niet het “wegmaken” van delen, maar het vergroten van samenwerking, samenhang en integratie binnen de persoon als geheel. Behandeling richt zich dus op meer continuïteit van zelfbeleving, minder dissociatieve ontregeling en beter functioneren in het dagelijks leven.
Beloop
Het beloop van DIS is meestal langdurig en fluctuerend. Veel mensen hebben al jarenlang klachten en meerdere eerdere diagnoses voordat DIS wordt herkend. Symptomen kunnen in de loop van de tijd wisselen in ernst en zichtbaarheid, vaak afhankelijk van stress, traumatriggers, relationele factoren en de mate van psychische stabiliteit. Met passende behandeling kan er geleidelijk verbetering optreden in stabiliteit, functioneren en samenhang van het zelf. Volledige symptoomvrijheid is niet altijd haalbaar of direct het belangrijkste doel; vaak is het relevanter dat iemand meer grip krijgt op de klachten en beter kan leven en functioneren.
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). APA Publishing.
- Brand BL, Loewenstein RJ & Spiegel D. (2014). Dispelling myths about dissociative identity disorder treatment. Psychiatry, 77(2), 169–189.
- International Society for the Study of Trauma and Dissociation. (2011). Guidelines for treating dissociative identity disorder in adults, third revision. Journal of Trauma & Dissociation, 12(2), 115–187.
- Loewenstein RJ. (2018). Dissociation debates: Everything you know is wrong. Dialogues in Clinical Neuroscience, 20(3), 229–242.
- Şar V. (2017). The many faces of dissociation: Opportunities for innovative research in psychiatry. Clinical Psychopharmacology and Neuroscience, 15(3), 171–179.
- van der Hart O, Nijenhuis ERS, & Steele, K. (2006). The haunted self. Norton.
- Schematische weergave zorgstandaard Dissociatieve stoornissen
- Zorgstandaard dissociatieve stoornissen