Antidepressiva

Antidepressiva zijn geneesmiddelen die worden toegepast bij depressieve stoornissen, angststoornissen en een aantal andere psychiatrische en somatische aandoeningen. Ze beïnvloeden vooral de serotonerge en noradrenerge neurotransmissie, maar verschillen onderling in werkingsmechanisme, bijwerkingenprofiel, halfwaardetijd en interacties. Voor de behandeling van depressie ontlopen antidepressiva elkaar gemiddeld genomen weinig in antidepressieve werkzaamheid. De keuze voor een middel wordt daarom vooral bepaald door eerdere respons, comorbiditeit, gevoeligheid voor bijwerkingen, risico op interacties en praktische factoren zoals dosering en afbouwbaarheid. Interacties via het cytochroom P450-systeem spelen daarbij een belangrijke rol, omdat sommige antidepressiva de afbraak van andere geneesmiddelen kunnen remmen of zelf gevoelig zijn voor remming of inductie van leverenzymen.

Indicatie

Antidepressiva hebben een formele plaats bij de behandeling van de depressieve stoornis en worden daarnaast toegepast bij angststoornissen, waaronder paniekstoornis, sociale angststoornis en obsessieve-compulsieve stoornis. Voor specifieke middelen bestaan aanvullende geregistreerde indicaties. Fluoxetine is geregistreerd voor boulimia nervosa. Duloxetine en, in hogere dosering, venlafaxine zijn geregistreerd voor diabetische perifere neuropathische pijn.

Naast deze indicaties worden antidepressiva in de klinische praktijk ook gebruikt bij andere aandoeningen. Het gaat dan om off-label toepassingen, waaronder migraineprofylaxe, narcolepsie of kataplexie, ejaculatio praecox, premenstrueel stemmingsstoornis en slaapstoornissen. Deze toepassingen zijn niet uniform onderbouwd en vragen per indicatie een afzonderlijke afweging. Voor pijnklachten geldt dat de werkzaamheid van antidepressiva niet eenduidig is aangetoond. Een recente overzichtsanalyse laat zien dat de bewijskracht per indicatie en middel varieert en in veel gevallen beperkt is

Duur behandeling

De duur van de behandeling met antidepressiva is afhankelijk van het beloop van de stoornis en het risico op recidief. Richtlijnen adviseren om na herstel van een eerste depressieve episode de behandeling nog ten minste 6 tot 12 maanden voort te zetten. Bij een tweede episode wordt doorgaans een behandelduur van 1 tot 2 jaar geadviseerd. Bij recidiverende depressies, met name vanaf een derde episode, kan langdurige of onderhoudsbehandeling aangewezen zijn (National Institute for Health and Care Excellence; American Psychiatric Association). Voortzetten van antidepressiva na herstel vermindert het risico op terugval. Meta-analyses laten zien dat onderhoudsbehandeling het recidiefrisico ongeveer halveert ten opzichte van stoppen.
Na herstel wordt antidepressieve medicatie meestal nog enige tijd voortgezet om het risico op terugval te verminderen. Onderhoudsbehandeling verlaagt bij recidiverende depressie de kans op een nieuwe episode, maar de absolute winst hangt af van het individuele terugvalrisico. Bij een hoog uitgangsrisico is het voordeel groter dan bij een laag uitgangsrisico.

Afwegingen bij gebruik

Antidepressiva worden doorgaans ingezet als onderdeel van een bredere behandeling. Bij milde depressies is terughoudendheid aangewezen en ligt de nadruk op psychologische interventies. Bij matige tot ernstige depressies hebben antidepressiva een duidelijke plaats, al dan niet in combinatie met psychotherapie. De effectgrootte is gemiddeld bescheiden maar klinisch relevant, vooral bij ernstigere depressies.

Het gebruik van antidepressiva vraagt een systematische afweging van effect, bijwerkingen en interacties. Bijwerkingen treden met name in de eerste weken op en zijn middelafhankelijk. Daarnaast kunnen geneesmiddeleninteracties van belang zijn, onder andere via het cytochroom P450-systeem. Regelmatige evaluatie van effect en tolerantie is daarom noodzakelijk, zeker in de eerste fase van de behandeling en bij dosisaanpassingen.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2010/2020 update). Practice guideline for the treatment of patients with major depressive disorder.
  • Cipriani A et al. (2018). Comparative efficacy and acceptability of 21 antidepressant drugs for the acute treatment of adults with major depressive disorder: a systematic review and network meta-analysis. The Lancet, 391(10128), 1357–1366.
  • Ferreira GE, Abdel-Shaheed C, Underwood M, Finnerup NB, Day RO, McLachlan A, Eldabe S, Zadro JR, Maher CG. Efficacy, safety, and tolerability of antidepressants for pain in adults: overview of systematic reviews. BMJ. 2023 Feb 1;380:e072415. doi: 10.1136/bmj-2022-072415. PMID: 36725015; PMCID: PMC9887507.
  • Geddes JR et al. (2003). Relapse prevention with antidepressant drug treatment in depressive disorders: a systematic review. The Lancet, 361, 653–661.
  • National Institute for Health and Care Excellence. (2022). Depression in adults: treatment and management (NG222).

Antidepressiva zijn geneesmiddelen die worden toegepast bij depressieve stoornissen, angststoornissen en een aantal andere psychiatrische en somatische aandoeningen. Ze beïnvloeden vooral de serotonerge en noradrenerge neurotransmissie, maar verschillen onderling in werkingsmechanisme, bijwerkingenprofiel, halfwaardetijd en interacties. Voor de behandeling van depressie ontlopen antidepressiva elkaar gemiddeld genomen weinig in antidepressieve werkzaamheid. De keuze voor een middel wordt daarom vooral bepaald door eerdere respons, comorbiditeit, gevoeligheid voor bijwerkingen, risico op interacties en praktische factoren zoals dosering en afbouwbaarheid. Interacties via het cytochroom P450-systeem spelen daarbij een belangrijke rol, omdat sommige antidepressiva de afbraak van andere geneesmiddelen kunnen remmen of zelf gevoelig zijn voor remming of inductie van leverenzymen.

Indicatie

Antidepressiva hebben een formele plaats bij de behandeling van de depressieve stoornis en worden daarnaast toegepast bij angststoornissen, waaronder paniekstoornis, sociale angststoornis en obsessieve-compulsieve stoornis. Voor specifieke middelen bestaan aanvullende geregistreerde indicaties. Fluoxetine is geregistreerd voor boulimia nervosa. Duloxetine en, in hogere dosering, venlafaxine zijn geregistreerd voor diabetische perifere neuropathische pijn.

Naast deze indicaties worden antidepressiva in de klinische praktijk ook gebruikt bij andere aandoeningen. Het gaat dan om off-label toepassingen, waaronder migraineprofylaxe, narcolepsie of kataplexie, ejaculatio praecox, premenstrueel stemmingsstoornis en slaapstoornissen. Deze toepassingen zijn niet uniform onderbouwd en vragen per indicatie een afzonderlijke afweging. Voor pijnklachten geldt dat de werkzaamheid van antidepressiva niet eenduidig is aangetoond. Een recente overzichtsanalyse laat zien dat de bewijskracht per indicatie en middel varieert en in veel gevallen beperkt is

Duur behandeling

De duur van de behandeling met antidepressiva is afhankelijk van het beloop van de stoornis en het risico op recidief. Richtlijnen adviseren om na herstel van een eerste depressieve episode de behandeling nog ten minste 6 tot 12 maanden voort te zetten. Bij een tweede episode wordt doorgaans een behandelduur van 1 tot 2 jaar geadviseerd. Bij recidiverende depressies, met name vanaf een derde episode, kan langdurige of onderhoudsbehandeling aangewezen zijn (National Institute for Health and Care Excellence; American Psychiatric Association). Voortzetten van antidepressiva na herstel vermindert het risico op terugval. Meta-analyses laten zien dat onderhoudsbehandeling het recidiefrisico ongeveer halveert ten opzichte van stoppen.
Na herstel wordt antidepressieve medicatie meestal nog enige tijd voortgezet om het risico op terugval te verminderen. Onderhoudsbehandeling verlaagt bij recidiverende depressie de kans op een nieuwe episode, maar de absolute winst hangt af van het individuele terugvalrisico. Bij een hoog uitgangsrisico is het voordeel groter dan bij een laag uitgangsrisico.

Afwegingen bij gebruik

Antidepressiva worden doorgaans ingezet als onderdeel van een bredere behandeling. Bij milde depressies is terughoudendheid aangewezen en ligt de nadruk op psychologische interventies. Bij matige tot ernstige depressies hebben antidepressiva een duidelijke plaats, al dan niet in combinatie met psychotherapie. De effectgrootte is gemiddeld bescheiden maar klinisch relevant, vooral bij ernstigere depressies.

Het gebruik van antidepressiva vraagt een systematische afweging van effect, bijwerkingen en interacties. Bijwerkingen treden met name in de eerste weken op en zijn middelafhankelijk. Daarnaast kunnen geneesmiddeleninteracties van belang zijn, onder andere via het cytochroom P450-systeem. Regelmatige evaluatie van effect en tolerantie is daarom noodzakelijk, zeker in de eerste fase van de behandeling en bij dosisaanpassingen.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2010/2020 update). Practice guideline for the treatment of patients with major depressive disorder.
  • Cipriani A et al. (2018). Comparative efficacy and acceptability of 21 antidepressant drugs for the acute treatment of adults with major depressive disorder: a systematic review and network meta-analysis. The Lancet, 391(10128), 1357–1366.
  • Ferreira GE, Abdel-Shaheed C, Underwood M, Finnerup NB, Day RO, McLachlan A, Eldabe S, Zadro JR, Maher CG. Efficacy, safety, and tolerability of antidepressants for pain in adults: overview of systematic reviews. BMJ. 2023 Feb 1;380:e072415. doi: 10.1136/bmj-2022-072415. PMID: 36725015; PMCID: PMC9887507.
  • Geddes JR et al. (2003). Relapse prevention with antidepressant drug treatment in depressive disorders: a systematic review. The Lancet, 361, 653–661.
  • National Institute for Health and Care Excellence. (2022). Depression in adults: treatment and management (NG222).