Depersonalisatie en derealisatie zijn vormen van dissociatie waarbij de ervaring van jezelf of van de wereld om je heen tijdelijk of langdurig verstoord raakt. Bij depersonalisatie voelt iemand zich vervreemd van zichzelf, alsof hij of zij niet helemaal aanwezig is in het eigen lichaam, de eigen gedachten of emoties. Bij derealisatie wordt juist de buitenwereld als vreemd, onwerkelijk, vlak, ver weg of kunstmatig ervaren. Veel mensen maken in hun leven weleens kortdurend zulke ervaringen mee, bijvoorbeeld tijdens stress, slaaptekort, oververmoeidheid of een paniekaanval. Op zichzelf is dat niet ongewoon. Pas wanneer deze ervaringen terugkerend of aanhoudend aanwezig zijn, veel angst of ontregeling oproepen en het dagelijks functioneren beperken, spreken we van een depersonalisatie-/derealisatiestoornis.
Kenmerkend voor deze stoornis is dat het realiteitsbesef intact blijft. Iemand weet dus dat de ervaring subjectief is en niet letterlijk betekent dat hij of zij echt “niet bestaat” of dat de wereld daadwerkelijk veranderd is. Juist dat besef maakt de klachten vaak extra verwarrend en beangstigend: iemand merkt dat de ervaring niet klopt, maar kan er toch moeilijk aan ontsnappen.
Symptomen
Mensen met depersonalisatie beschrijven vaak een gevoel van afstand tot hun eigen lichaam, gedachten of emoties. Het kan voelen alsof je op de automatische piloot leeft, alsof je van buitenaf naar jezelf kijkt, of alsof je lichaam en geest niet helemaal op elkaar aansluiten. Sommige mensen ervaren hun stem, gezicht of bewegingen als vreemd of niet helemaal eigen. Ook komt het vaak voor dat emoties afgevlakt aanvoelen, alsof er wel iets “zou moeten zijn”, maar het gevoel niet goed doorkomt.
Bij derealisatie ligt de vervreemding meer in de buitenwereld. De omgeving kan er kunstmatig, dromerig, kleurloos, tweedimensionaal, vertraagd of juist onnatuurlijk scherp uitzien. Bekende mensen of plaatsen kunnen vreemd of afstandelijk aanvoelen. Soms worden geluiden, afstanden, tijdsbeleving of zintuiglijke indrukken anders ervaren dan normaal.
Vrijwel altijd hebben deze ervaringen een uitgesproken ‘alsof’-karakter. Dat is een belangrijk onderscheid met psychotische stoornissen. Iemand met een depersonalisatie-/derealisatiestoornis denkt doorgaans niet werkelijk dat de wereld nep is of dat hij of zij letterlijk buiten het lichaam zweeft, maar ervaart het zo. Die discrepantie tussen weten en voelen veroorzaakt vaak veel angst, piekeren en hyperwaakzaamheid. Veel mensen raken vervolgens sterk gefocust op hun eigen beleving. Ze gaan voortdurend controleren of ze zich “normaal” voelen, analyseren hun waarneming of schrikken van elke subtiele verandering in gevoel of aanwezigheid. Juist die voortdurende zelfobservatie kan de klachten versterken en in stand houden.
DSM-5-TR
Volgens de DSM-5-TR wordt de diagnose depersonalisatie-/derealisatiestoornis gesteld wanneer er sprake is van persisterende of terugkerende ervaringen van depersonalisatie, derealisatie of beide. Depersonalisatie verwijst naar ervaringen van onwerkelijkheid, afstand of vervreemding ten opzichte van het eigen functioneren, zoals gedachten, gevoelens, lichaam of handelingen. Derealisatie verwijst naar ervaringen van onwerkelijkheid of vervreemding ten opzichte van de omgeving. Tijdens deze ervaringen blijft het realiteitsbesef intact. Dat betekent dat iemand blijft beseffen dat de ervaring subjectief is en niet overeenkomt met de externe werkelijkheid. Daarnaast moeten de symptomen leiden tot klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in functioneren en mogen zij niet beter verklaard worden door middelengebruik, een somatische of neurologische aandoening of een andere psychische stoornis.
Prevalentie
Depersonalisatie en derealisatie als verschijnsel komen relatief vaak voor. Veel mensen ervaren in hun leven één of meerdere kortdurende episoden, bijvoorbeeld tijdens acute stress, paniek, slaaptekort of lichamelijke uitputting. Dat betekent niet automatisch dat er sprake is van een stoornis. De depersonalisatie-/derealisatiestoornis als afzonderlijke diagnose is zeldzamer, maar zeker niet uitzonderlijk. In de algemene bevolking wordt de prevalentie meestal geschat op ongeveer 1–2%, terwijl in klinische populaties hogere percentages worden gevonden. De stoornis begint meestal in de adolescentie of vroege volwassenheid en kan zonder behandeling een langdurig of chronisch beloop krijgen.
Ontstaan
Het ontstaan van depersonalisatie-/derealisatiestoornis wordt tegenwoordig meestal gezien als multifactorieel. Vaak spelen stress en angst een belangrijke rol. Bij veel mensen begint het beeld na een periode van overbelasting, een paniekaanval, een heftige stressreactie of een fase van aanhoudende spanning. Ook slaaptekort, lichamelijke uitputting of middelengebruik kunnen een eerste episode uitlokken. Bij een deel van de patiënten is er daarnaast een voorgeschiedenis van traumatische ervaringen, emotionele verwaarlozing of chronische onveiligheid. In dat opzicht kan depersonalisatie worden begrepen als een beschermingsmechanisme: het dempt of vervreemdt overweldigende emotionele of lichamelijke ervaringen, zodat deze psychisch beter verdragen kunnen worden. Tegelijkertijd is trauma niet de enige verklaring. Ook angstgevoeligheid, neiging tot piekeren, verhoogde zelfobservatie, deregulatie van stresssystemen en contextuele factoren kunnen bijdragen aan het ontstaan en in stand houden van de klachten. De huidige literatuur beschrijft depersonalisatie daarom niet als één eenvoudig traumafenomeen, maar als een toestand waarin angst, dissociatie, emotieregulatie en zelfwaarneming op een ontregelende manier samenkomen
Depersonalisatie als symptoom
Depersonalisatie en derealisatie komen niet alleen voor als zelfstandige stoornis, maar ook als symptoom binnen andere aandoeningen. Ze worden onder andere gezien bij angststoornissen, paniekstoornis, depressie, posttraumatische stressstoornis, obsessieve-compulsieve stoornis en sommige persoonlijkheidsstoornissen. Ook kunnen zij optreden bij neurologische aandoeningen zoals epilepsie, migraine of vestibulaire problematiek, en bij middelengebruik, vooral cannabis, hallucinogenen of stimulantia.
Het onderscheid tussen een symptoom en een stoornis ligt vooral in de duur, frequentie, centrale plaats in het klachtenbeeld en de mate van lijdensdruk. Wanneer depersonalisatie of derealisatie slechts incidenteel optreedt binnen bijvoorbeeld paniek of trauma, is er meestal geen sprake van een afzonderlijke depersonalisatie-/derealisatiestoornis. Wanneer de vervreemdingsklachten op zichzelf een belangrijk en persisterend probleem vormen, kan die diagnose wel passend zijn.
Beloop en verschillende vormen
Depersonalisatie kan zich op verschillende manieren presenteren. Kortdurende, niet-pathologische episoden komen veel voor en zijn meestal onschuldig. Daarnaast bestaan er meer voorbijgaande dissociatieve reacties op acute stress of overbelasting, die enkele minuten, uren of soms weken kunnen aanhouden. Bij de depersonalisatie-/derealisatiestoornis is meestal sprake van een terugkerend of meer chronisch patroon. Sommige mensen hebben continue klachten op de achtergrond met tijdelijke verergeringen, terwijl anderen episoden hebben die komen en gaan. De ernst van de klachten fluctueert vaak sterk en hangt meestal samen met spanning, slaap, vermoeidheid, angst en zelfmonitoring. Juist doordat de klachten zo subjectief en moeilijk onder woorden te brengen zijn, voelen veel patiënten zich lange tijd niet goed begrepen. Dat kan de angst vergroten en ertoe leiden dat iemand steeds meer gaat vermijden, controleren of zoeken naar een lichamelijke verklaring.
Behandeling
De behandeling van depersonalisatie-/derealisatiestoornis is in de eerste plaats psychotherapeutisch. Psycho-educatie is vaak een essentieel beginpunt, omdat veel mensen schrikken van hun klachten en vrezen dat zij “gek worden”, blijvende hersenschade hebben of de controle verliezen. Alleen al het begrijpen van de aard van de klachten kan angst en secundaire ontregeling verminderen. De behandeling richt zich doorgaans op het doorbreken van de vicieuze cirkel van angst, hyperarousal en zelfmonitoring. Veel patiënten raken gevangen in een patroon waarin zij hun eigen bewustzijn voortdurend controleren, waardoor de vervreemding juist sterker voelbaar wordt. Cognitieve gedragstherapie kan helpen om deze processen beter te begrijpen en te beïnvloeden. Daarnaast is vaak aandacht nodig voor emotieregulatie, stressreductie, herstel van lichaamsgericht contact en het opnieuw leren vertrouwen op de eigen ervaring zonder die voortdurend te analyseren.
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Association.
- Baker D. et al (2003). Depersonalisation disorder: Clinical features of 204 cases. British Journal of Psychiatry, 182(5), 428–433.
- Hunter ECM, Sierra M & David AS. (2004). The epidemiology of depersonalisation and derealisation: A systematic review. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 39(1), 9–18.
- Medford N. (2012). Emotion and the unreal self: Depersonalization disorder and de-affectualization. Emotion Review, 4(2), 139–144.
- Sierra M & David AS. (2011). Depersonalization: A selective impairment of self-awareness. Consciousness and Cognition, 20(1), 99–108.
- Simeon D & Abugel J. (2006). Feeling unreal: Depersonalization disorder and the loss of the self. Oxford University Press.
- Simeon D, Guralnik O, Schmeidler J, Knutelska M & Yehuda R. (2001). Fluoxetine therapy in depersonalisation disorder: Randomised controlled trial. British Journal of Psychiatry, 179(6), 514–519.
- Schematische weergave zorgstandaard Dissociatieve stoornissen
- Zorgstandaard dissociatieve stoornissen