Medicijnverslaving ontstaat wanneer iemand afhankelijk raakt van een geneesmiddel dat oorspronkelijk bedoeld is om klachten te behandelen. Het gaat meestal om middelen die een effect hebben op het centrale zenuwstelsel, zoals slaap- en kalmeringsmiddelen of opioïde pijnstillers. Wat medicijnverslaving onderscheidt van andere vormen van verslaving, is dat het gebruik vaak begint op voorschrift van een arts. Het middel heeft aanvankelijk een duidelijke functie, bijvoorbeeld het verminderen van pijn, angst of slapeloosheid. Juist daardoor wordt problematisch gebruik vaak later herkend.
Lichamelijke afhankelijkheid en verslaving
Bij medicijngebruik is het belangrijk onderscheid te maken tussen lichamelijke afhankelijkheid en verslaving. Lichamelijke afhankelijkheid betekent dat het lichaam gewend raakt aan een middel. Wanneer het gebruik wordt verminderd of gestopt, kunnen ontwenningsverschijnselen optreden. Dit kan ook ontstaan bij correct gebruik volgens voorschrift en is op zichzelf geen verslaving. Van verslaving is sprake wanneer er verlies van controle optreedt. Het gebruik wordt voortgezet ondanks nadelige gevolgen, er ontstaat een sterke drang om het middel te gebruiken en het gebruik gaat een centrale plaats innemen in het dagelijks leven. Dit onderscheid is juist bij medicijnen essentieel, omdat iemand langdurig afhankelijk kan zijn zonder dat er sprake is van verslavingsgedrag, terwijl in andere gevallen beide samen voorkomen.
Problematisch gebruik
Medicijngebruik wordt problematisch wanneer het gebruik langer doorgaat dan medisch bedoeld was, wanneer afbouwen of stoppen niet meer lukt, of wanneer het middel geleidelijk een andere functie krijgt dan waarvoor het oorspronkelijk werd voorgeschreven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer het lichaam gewend raakt aan het middel, waardoor bij minderen of stoppen ontwenningsklachten ontstaan. Het kan ook gebeuren dat iemand merkt dat het middel niet alleen helpt tegen de oorspronkelijke klacht, maar ook spanning, onrust of emotionele pijn tijdelijk dempt. Dan verschuift het gebruik van een afgebakende medische behandeling naar een patroon dat in stand blijft, ook wanneer de nadelen beginnen op te wegen tegen de voordelen. Problematisch gebruik ontstaat niet plotseling, maar geleidelijk waarin lichamelijke gewenning, psychische afhankelijkheid en voortgezet gebruik ondanks nadelige gevolgen in elkaar grijpen.
Risico’s en gevolgen
De risico’s van medicijnverslaving hangen samen met het type middel. Bij benzodiazepinen gaat het vooral om sufheid, cognitieve problemen, vallen en het ontstaan van afhankelijkheid. Bij opioïde pijnstillers spelen daarnaast risico’s zoals tolerantie, ademhalingsdepressie en overdosering. Daarnaast kunnen medicijnen klachten op termijn juist in stand houden of verergeren, bijvoorbeeld slapeloosheid of angst na langdurig gebruik van slaap- en kalmeringsmiddelen. Op psychosociaal niveau kan het gebruik leiden tot verminderde zelfstandigheid, beperkingen in functioneren en in sommige gevallen tot sociale of financiële problemen.
DSM-5-TR
In de DSM-5-TR wordt gesproken van een stoornis in het gebruik van middelen wanneer er sprake is van een patroon van gebruik dat leidt tot klinisch significante beperkingen of lijdensdruk. Dit komt tot uiting in meerdere kenmerken die zich binnen een periode van twaalf maanden voordoen.
Het gaat onder andere om het gebruik in grotere hoeveelheden of gedurende een langere periode dan de bedoeling was, en om een aanhoudende wens of mislukte pogingen om het gebruik te verminderen of onder controle te krijgen. Ook kan er veel tijd gaan zitten in het verkrijgen, gebruiken of herstellen van de effecten van het middel, en kan er sprake zijn van een sterke drang of zucht (craving).
Daarnaast kan het gebruik ertoe leiden dat verplichtingen op het werk, op school of thuis niet meer goed worden nagekomen, of dat het gebruik wordt voortgezet ondanks sociale of interpersoonlijke problemen die erdoor veroorzaakt of verergerd worden. Belangrijke activiteiten kunnen worden opgegeven of verminderd, en het middel kan worden gebruikt in situaties waarin dit fysiek gevaarlijk is.
Ook kan het gebruik worden voortgezet ondanks kennis van lichamelijke of psychische problemen die door het middel zijn ontstaan of verergerd. Ten slotte kunnen tolerantie en ontwenningsverschijnselen optreden, al zijn deze bij voorgeschreven medicatie op zichzelf niet voldoende om van een stoornis te spreken. De ernst van de stoornis wordt bepaald door het aantal aanwezige kenmerken en kan variëren van mild tot ernstig.
Behandeling
Wanneer er sprake is van problematisch gebruik of afhankelijkheid, is begeleiding aangewezen. De behandeling vindt plaats binnen de huisartsenzorg, de geestelijke gezondheidszorg of de verslavingszorg. De kern van de behandeling is meestal geleidelijke afbouw, afgestemd op het type middel, de dosering en de duur van het gebruik. Plotseling stoppen is vaak niet wenselijk vanwege het risico op ontwenningsverschijnselen. Daarnaast is er aandacht voor de oorspronkelijke klachten waarvoor het middel werd voorgeschreven, zoals pijn, angst of slapeloosheid. Zonder deze klachten mee te behandelen is de kans op terugval groot. Behandeling vraagt om een zorgvuldige en stapsgewijze aanpak, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen lichamelijke afhankelijkheid en verslaving.
Vormen van medicijnverslaving
- Verslaving aan slaap- en kalmerende middelen
- Verslaving aan opioïde pijnstillers
Literatuur
- American Psychiatric Association. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, Fifth Edition, Text Revision (DSM-5-TR).
- GGZ Standaarden. Stoornissen in het gebruik van middelen (niet-opioïden), inclusief benzodiazepinen.
- NHG-Standaard Slaapproblemen en slaapmiddelen en NHG-Standaard Angst.
- National Institute for Health and Care Excellence. Medicines associated with dependence or withdrawal symptoms (NG215).
- Trimbos-instituut. Benzodiazepinen en opioïden – informatie en richtlijnen.
- World Health Organization. Guidelines for the management of substance use disorders.