Drugsverslaving

Drugsverslaving kan betrekking hebben op verschillende soorten middelen, met elk een eigen werkingsprofiel, risico’s en gevolgen. Sommige middelen werken vooral stimulerend, andere juist verdovend, ontregelend of bewustzijnsveranderend. Ook de manier waarop afhankelijkheid ontstaat en zich uit, verschilt per middel.

DSM-5-TR

In de DSM-5-TR wordt gesproken van een stoornis in het gebruik van middelen wanneer er sprake is van een patroon van gebruik dat leidt tot klinisch significante beperkingen of lijdensdruk. Dit komt tot uiting in meerdere kenmerken die zich binnen een periode van twaalf maanden voordoen.

Het gaat onder andere om het gebruik in grotere hoeveelheden of gedurende een langere periode dan de bedoeling was, en om een aanhoudende wens of mislukte pogingen om het gebruik te verminderen of onder controle te krijgen. Ook kan er veel tijd gaan zitten in het verkrijgen, gebruiken of herstellen van de effecten van het middel, en kan er sprake zijn van een sterke drang of zucht (craving).

Daarnaast kan het gebruik ertoe leiden dat verplichtingen op het werk, op school of thuis niet meer goed worden nagekomen, of dat het gebruik wordt voortgezet ondanks sociale of interpersoonlijke problemen die erdoor veroorzaakt of verergerd worden. Belangrijke activiteiten kunnen worden opgegeven of verminderd, en het middel kan worden gebruikt in situaties waarin dit fysiek gevaarlijk is.

Ook kan het gebruik worden voortgezet ondanks kennis van lichamelijke of psychische problemen die door het middel zijn ontstaan of verergerd. Ten slotte kunnen tolerantie en ontwenningsverschijnselen optreden, al zijn deze bij voorgeschreven medicatie op zichzelf niet voldoende om van een stoornis te spreken. De ernst van de stoornis wordt bepaald door het aantal aanwezige kenmerken en kan variëren van mild tot ernstig.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR).

Drugsverslaving kan betrekking hebben op verschillende soorten middelen, met elk een eigen werkingsprofiel, risico’s en gevolgen. Sommige middelen werken vooral stimulerend, andere juist verdovend, ontregelend of bewustzijnsveranderend. Ook de manier waarop afhankelijkheid ontstaat en zich uit, verschilt per middel.

DSM-5-TR

In de DSM-5-TR wordt gesproken van een stoornis in het gebruik van middelen wanneer er sprake is van een patroon van gebruik dat leidt tot klinisch significante beperkingen of lijdensdruk. Dit komt tot uiting in meerdere kenmerken die zich binnen een periode van twaalf maanden voordoen.

Het gaat onder andere om het gebruik in grotere hoeveelheden of gedurende een langere periode dan de bedoeling was, en om een aanhoudende wens of mislukte pogingen om het gebruik te verminderen of onder controle te krijgen. Ook kan er veel tijd gaan zitten in het verkrijgen, gebruiken of herstellen van de effecten van het middel, en kan er sprake zijn van een sterke drang of zucht (craving).

Daarnaast kan het gebruik ertoe leiden dat verplichtingen op het werk, op school of thuis niet meer goed worden nagekomen, of dat het gebruik wordt voortgezet ondanks sociale of interpersoonlijke problemen die erdoor veroorzaakt of verergerd worden. Belangrijke activiteiten kunnen worden opgegeven of verminderd, en het middel kan worden gebruikt in situaties waarin dit fysiek gevaarlijk is.

Ook kan het gebruik worden voortgezet ondanks kennis van lichamelijke of psychische problemen die door het middel zijn ontstaan of verergerd. Ten slotte kunnen tolerantie en ontwenningsverschijnselen optreden, al zijn deze bij voorgeschreven medicatie op zichzelf niet voldoende om van een stoornis te spreken. De ernst van de stoornis wordt bepaald door het aantal aanwezige kenmerken en kan variëren van mild tot ernstig.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR).