Autismespectrumstoornis (ASS) is een neurobiologische ontwikkelingsstoornis die wordt gekenmerkt door beperkingen in de sociale communicatie en interactie, in combinatie met repetitief gedrag en een beperkte flexibiliteit in denken en handelen. De kenmerken zijn al vanaf jonge leeftijd aanwezig, maar worden soms pas later duidelijk zichtbaar wanneer de eisen vanuit de omgeving toenemen. Autisme is geen eenduidig beeld. De manier waarop het zich uit, verschilt sterk tussen personen. Sommige mensen hebben vooral moeite met sociale interactie en communicatie, terwijl bij anderen rigiditeit, prikkelgevoeligheid of specifieke interesses meer op de voorgrond staan. De term autisme werd oorspronkelijk gebruikt door Eugen Bleuler om het in zichzelf gekeerde van mensen met schizofrenie te beschrijven. Later gebruikten Leo Kanner en Hans Asperger de term voor kinderen met opvallende problemen in sociaal contact en communicatie. Sinds de DSM-5 worden deze verschillende beelden samengebracht onder één diagnose: autismespectrumstoornis.
Kernsymptomen
Binnen de DSM-5-TR wordt autisme beschreven aan de hand van twee domeinen. Het eerste domein betreft beperkingen in de sociale communicatie en sociale interactie. Dit uit zich bijvoorbeeld in moeite met wederkerigheid in contact, het minder goed begrijpen of gebruiken van non-verbale communicatie, en problemen in het aangaan en onderhouden van relaties. Het tweede domein betreft beperkt en repetitief gedrag. Hieronder vallen onder andere stereotiepe bewegingen of spraak, sterke behoefte aan voorspelbaarheid en routine, zeer specifieke en intensieve interesses en een verhoogde of verlaagde gevoeligheid voor zintuiglijke prikkels. De ernst van de klachten kan per persoon en per levensfase verschillen. Daarnaast kan er sprake zijn van bijkomende kenmerken, zoals een verstandelijke beperking, taalproblemen of een somatische of genetische aandoening.
Hoe kun je autisme begrijpen?
Autisme kan het best begrepen worden als een combinatie van kwetsbaarheden op verschillende gebieden. Vaak gaat het om verschillen in sociale interactie, communicatie, flexibiliteit, executieve functies en prikkelverwerking. Onderliggende verklaringsmodellen die vaak worden genoemd zijn problemen in theory of mind (het vermogen om gedachten en gevoelens van anderen te begrijpen), beperkingen in executieve functies (zoals plannen en organiseren) en een zwakkere centrale coherentie (moeite om details tot een samenhangend geheel te integreren). Deze modellen verklaren echter niet volledig het individuele beeld en zijn niet bij iedereen even herkenbaar. Het is belangrijk om autisme niet alleen vanuit gedrag te bekijken, maar als een samenspel van biologische, psychologische en sociale factoren. De manier waarop iemand functioneert wordt mede bepaald door intelligentie, copingstijl, steun vanuit de omgeving en de mate waarin de omgeving aansluit bij de behoeften van de persoon.
Spectrum en variatie
De term spectrum verwijst naar de grote variatie in presentatie en ernst. Niet alle ontwikkelingsgebieden worden in gelijke mate beïnvloed. Dit verklaart waarom mensen met autisme sterk van elkaar kunnen verschillen. Diagnoses zoals klassiek autisme, de stoornis van Asperger en PDD-NOS worden sinds de DSM-5 niet meer als aparte categorieën gesteld, maar vallen onder het spectrum van ASS.
Stereotiep gedrag en functie
Repetitief of stereotiep gedrag komt vaak voor bij autisme. Dit kan variëren van eenvoudige bewegingen (zoals wiegen of tikken) tot complexe patronen in handelen of denken. Hoewel dit gedrag voor de omgeving soms vreemd of hinderlijk kan zijn, heeft het meestal een duidelijke functie. Het kan helpen om prikkels te reguleren, spanning te verminderen of voorspelbaarheid te creëren. Vanuit het perspectief van de persoon zelf is dit gedrag vaak zinvol en adaptief. Dit betekent dat het veranderen van dit gedrag alleen zinvol is als er een alternatief wordt geboden dat dezelfde functie vervult
Prevalentie
Op basis van internationaal onderzoek wordt aangenomen dat ongeveer 1% van de bevolking een autismespectrumstoornis heeft. Nederlandse cijfers liggen in dezelfde orde van grootte. Autisme wordt vaker vastgesteld bij mannen dan bij vrouwen, maar er is toenemende aandacht voor onderdiagnostiek bij vrouwen, met name bij mensen met een gemiddelde of hoge intelligentie. Bij hen kan autisme zich subtieler uiten, bijvoorbeeld door compensatiestrategieën of aanpassing aan sociale verwachtingen.
Comorbiditeit
Autisme komt vaak voor in combinatie met andere psychische of somatische problemen. Veelvoorkomende bijkomende klachten zijn angststoornissen, depressie, ADHD en slaapproblemen. Ook kunnen er problemen zijn op het gebied van prikkelverwerking, leren of motoriek. Daarnaast worden lichamelijke klachten, zoals maag-darmproblemen of allergieën, relatief vaak gezien. Comorbiditeit is eerder regel dan uitzondering en speelt een belangrijke rol in de hulpvraag en behandeling. Bij vrouwen worden vaker internaliserende klachten gezien, zoals angst en somberheid, terwijl bij mannen vaker externaliserende problemen voorkomen.
Ontwikkeling en omgeving
De ontwikkeling van iemand met autisme vindt altijd plaats in interactie met de omgeving. Opvoeding, hechting en de mate van ondersteuning spelen een belangrijke rol in hoe iemand met autisme zich ontwikkelt en functioneert. Een omgeving die aansluit bij de behoeften van iemand met autisme, met voldoende structuur, voorspelbaarheid en begrip, kan beschermend werken. Tegelijkertijd kan langdurige overbelasting of onbegrip leiden tot bijkomende klachten, zoals angst, somberheid of burn-out. Autisme is voor veel mensen geen statisch gegeven, maar een proces van leren begrijpen wat wel en niet werkt, en hoe je jezelf en je omgeving beter op elkaar kunt afstemmen.
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Publishing.
- Asperger H. (1944). Die “autistischen Psychopathen” im Kindesalter. Archiv für Psychiatrie und Nervenkrankheiten, 117, 76–136.
- Baird G et al. (2006). Prevalence of disorders of the autism spectrum in a population cohort of children in South Thames. The Lancet, 368(9531), 210–215.
- Baron-Cohen S. (2000). Theory of mind and autism: A review. International Review of Research in Mental Retardation, 23, 169–184.
- Happé F & Frith U. (2006). The weak coherence account: Detail-focused cognitive style in autism spectrum disorders. Journal of Autism and Developmental Disorders, 36(1), 5–25.
- Hill E (2004). Executive dysfunction in autism. Trends in Cognitive Sciences, 8(1), 26–32.
- Kanner, L. (1943). Autistic disturbances of affective contact. The Nervous Child, 2, 217–250.
- Kogan MD, Blumberg SJ, Schieve LA, et al(2009) Prevalenceof parent-reported diagnosis of autism spectrum disorder among children in theUS, 2007
- Lai MC, Lombardo MV, & Baron-Cohen S. (2014). Autism. The Lancet, 383(9920), 896–910.
- Lord C et al.(2020). Autism spectrum disorder. Nature Reviews Disease Primers, 6(1), 5.
- Zorgstandaard Autistischespectrumstoornissen