Dissociatieve amnesie

Meer informatie
No items found.

Dissociatieve amnesie is een dissociatieve stoornis waarbij iemand belangrijke autobiografische informatie niet meer kan oproepen, meestal informatie die samenhangt met ingrijpende, stressvolle of traumatische gebeurtenissen. Het gaat om geheugenverlies dat duidelijk verder gaat dan gewone vergeetachtigheid. Er is geen sprake van een neurologische verklaring, middelengebruik of een andere somatische oorzaak. De oudere term psychogene amnesie wordt nog wel gebruikt, maar binnen de huidige classificatie wordt dissociatieve amnesie nadrukkelijk begrepen als onderdeel van het dissociatieve spectrum. De kern van het probleem is een verstoring in de integratie van geheugen, bewustzijn en autobiografische continuïteit. Het gaat dus niet om een algemeen defect van het geheugen, maar om een verstoring in de toegang tot persoonlijke herinneringen.

Kenmerken

Het centrale kenmerk van dissociatieve amnesie is een onvermogen om belangrijke persoonlijke informatie te herinneren, meestal van traumatische of stressvolle aard. Dat geheugenverlies is niet verklaarbaar door gewone vergeetachtigheid en staat vaak niet in verhouding tot wat men op basis van leeftijd of omstandigheden zou verwachten. In tegenstelling tot neurologische vormen van amnesie blijft het algemene geheugen meestal grotendeels intact. Mensen kunnen doorgaans nieuwe informatie leren, beschikken vaak nog over hun algemene kennis en behouden meestal praktische vaardigheden. Het probleem zit vooral in de toegang tot autobiografische herinneringen: wat iemand heeft meegemaakt, gevoeld of gedaan in een bepaalde periode of situatie. De klachten kunnen plotseling ontstaan, bijvoorbeeld na een ingrijpende gebeurtenis, maar ook minder abrupt zichtbaar worden. Soms herstellen herinneringen spontaan, soms geleidelijk en fragmentarisch, en soms blijven delen van het geheugen langdurig ontoegankelijk.

DSM-5-TR

Volgens de DSM-5-TR wordt de diagnose dissociatieve amnesie gesteld wanneer er sprake is van een onvermogen om belangrijke autobiografische informatie te herinneren, meestal van traumatische of stressvolle aard, dat niet past bij gewone vergeetachtigheid. De klachten moeten leiden tot klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren. Daarnaast geldt dat de symptomen niet mogen worden toegeschreven aan middelengebruik, neurologische aandoeningen of andere somatische oorzaken. Ook mogen ze niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis, zoals een dissociatieve identiteitsstoornis, posttraumatische stressstoornis, acute stressstoornis, een somatisch-symptoomstoornis of een neurocognitieve stoornis. Binnen de DSM-5-TR kan worden gespecificeerd of er sprake is van dissociatieve fugue. Daarbij reist of dwaalt iemand ogenschijnlijk doelgericht rond, in combinatie met geheugenverlies voor de eigen identiteit of andere belangrijke autobiografische informatie.

Vormen

Dissociatieve amnesie kan zich op verschillende manieren voordoen. De meest voorkomende vorm is gelokaliseerde amnesie, waarbij iemand zich een afgebakende periode niet meer kan herinneren, bijvoorbeeld de uren of dagen rond een ingrijpende gebeurtenis. Ook komt selectieve amnesie voor, waarbij sommige delen van een gebeurtenis of periode nog wel herinnerd worden, maar andere delen niet.
Minder vaak is er sprake van gegeneraliseerde amnesie, waarbij iemand grote delen van de eigen levensgeschiedenis of zelfs de eigen identiteit niet meer goed kan oproepen. Dat beeld is zeldzaam, maar klinisch zeer ingrijpend. Daarnaast bestaat er voortdurende amnesie, waarbij iemand vanaf een bepaald moment moeite heeft om nieuwe autobiografische gebeurtenissen als eigen herinnering vast te houden. In de praktijk zijn deze vormen niet altijd strikt van elkaar te onderscheiden. Herinneringen kunnen gefragmenteerd, contextafhankelijk of fluctuerend toegankelijk zijn.

Dissociatieve fugue

Dissociatieve fugue is in de DSM-5-TR geen aparte stoornis meer, maar een specificatie van dissociatieve amnesie. Het gaat om situaties waarin iemand ogenschijnlijk doelgericht reist of rondzwerft, terwijl er tegelijk sprake is van geheugenverlies voor de identiteit of andere belangrijke autobiografische informatie. In de praktijk kan dit betekenen dat iemand plotseling op een andere plek terechtkomt, een periode van rondzwerven doormaakt of achteraf geen samenhangend besef meer heeft van wat er in die periode is gebeurd. Soms is er verwarring over de eigen identiteit; soms gaat het meer om een afwezigheid van autobiografische context dan om volledig identiteitsverlies. Dissociatieve fugue is zeldzaam en er is relatief weinig systematisch onderzoek naar. Toch is het klinisch een belangrijk verschijnsel, juist omdat het ingrijpend kan zijn en goed onderscheiden moet worden van neurologische, intoxicatie-gerelateerde of andere psychiatrische oorzaken van desoriëntatie of zwerven.

Ontstaan

Dissociatieve amnesie wordt meestal begrepen als een reactie op overweldigende stress of trauma. Het geheugenverlies kan worden opgevat als een psychologische beschermingsreactie, waarbij bepaalde herinneringen tijdelijk niet toegankelijk zijn omdat zij te belastend, ontregelend of moeilijk integreerbaar zijn. Dat kan bijvoorbeeld optreden na geweld, misbruik, ernstige ongevallen, oorlogservaringen of andere ingrijpende gebeurtenissen. Soms lijkt vooral sprake van herinneringen die verbonden zijn met intense angst, schaamte, machteloosheid of innerlijk conflict. Ook kan het voorkomen dat iemand geconfronteerd wordt met ervaringen of handelingen die moeilijk verenigbaar zijn met het eigen zelfbeeld. Tegelijkertijd is het belangrijk om dissociatieve amnesie niet te simplistisch als “trauma = geheugenverlies” te begrijpen. Niet alle gevallen zijn rechtstreeks of eenduidig terug te voeren op één traumatische gebeurtenis. Ook individuele kwetsbaarheid, emotieregulatie, context, eerdere dissociatieve neigingen en de mate van psychische overbelasting spelen waarschijnlijk een rol.

Behandeling

De behandeling van dissociatieve amnesie richt zich in eerste instantie op veiligheid, stabilisatie en psycho-educatie. Voor veel mensen is het op zichzelf al ontregelend en beangstigend om te merken dat herinneringen ontbreken of niet betrouwbaar aanvoelen. Uitleg over dissociatie en geheugen kan daarom een belangrijk eerste onderdeel van de behandeling zijn. In de behandeling ligt de nadruk meestal niet op het actief forceren van herinneringen. Integendeel: te veel druk op het terughalen van herinneringen kan leiden tot meer spanning, verwarring of zelfs onbetrouwbare reconstructies. Een zorgvuldige en niet-suggestieve houding is daarom essentieel. Psychotherapie kan helpen om meer grip te krijgen op de klachten, de angst rond geheugenverlies te verminderen en ervaringen geleidelijk beter te integreren. Wanneer er sprake is van onderliggende traumatische ervaringen kan traumagerichte behandeling passend zijn, maar doorgaans pas wanneer er voldoende stabiliteit, veiligheid en draagkracht aanwezig is.

Beloop

Het beloop van dissociatieve amnesie is wisselend. In sommige gevallen herstellen herinneringen spontaan, bijvoorbeeld wanneer de acute stress afneemt of iemand zich veiliger voelt. In andere gevallen komen herinneringen geleidelijk en fragmentarisch terug. Soms blijven delen van het geheugenverlies langdurig bestaan. Hoe het beloop eruitziet, hangt sterk samen met de aard van de onderliggende problematiek, de context, de aanwezigheid van andere dissociatieve symptomen en de mate van psychische stabiliteit. Bij sommige mensen blijft dissociatieve amnesie beperkt tot een afgebakende episode, terwijl het bij anderen onderdeel is van bredere en langduriger dissociatieve problematiek.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). Washington, DC: APA Publishing.
  • Brand BL, Schielke HJ, Putnam KT, Putnam FW & Loewenstein RJ. (2016). Dissociative disorders. In Kaplan & Sadock’s Comprehensive Textbook of Psychiatry.
  • Kopelman MD. (2000). Focal retrograde amnesia and the attribution of causality: An exceptionally critical review. Cognitive Neuropsychology, 17(7), 585–621.
  • Loewenstein RJ. (2018). Dissociation debates: Everything you know is wrong. Dialogues in Clinical Neuroscience, 20(3), 229–242.
  • Spiegel D et al. (2011). Dissociative disorders in DSM-5. Depression and Anxiety, 28(12), 824–852.
  • Staniloiu A & Markowitsch HJ. (2014). Dissociative amnesia. The Lancet Psychiatry, 1(3), 226–241.
  • Schematische weergave zorgstandaard Dissociatieve stoornissen
  • Zorgstandaard dissociatieve stoornissen

Dissociatieve amnesie is een dissociatieve stoornis waarbij iemand belangrijke autobiografische informatie niet meer kan oproepen, meestal informatie die samenhangt met ingrijpende, stressvolle of traumatische gebeurtenissen. Het gaat om geheugenverlies dat duidelijk verder gaat dan gewone vergeetachtigheid. Er is geen sprake van een neurologische verklaring, middelengebruik of een andere somatische oorzaak. De oudere term psychogene amnesie wordt nog wel gebruikt, maar binnen de huidige classificatie wordt dissociatieve amnesie nadrukkelijk begrepen als onderdeel van het dissociatieve spectrum. De kern van het probleem is een verstoring in de integratie van geheugen, bewustzijn en autobiografische continuïteit. Het gaat dus niet om een algemeen defect van het geheugen, maar om een verstoring in de toegang tot persoonlijke herinneringen.

Kenmerken

Het centrale kenmerk van dissociatieve amnesie is een onvermogen om belangrijke persoonlijke informatie te herinneren, meestal van traumatische of stressvolle aard. Dat geheugenverlies is niet verklaarbaar door gewone vergeetachtigheid en staat vaak niet in verhouding tot wat men op basis van leeftijd of omstandigheden zou verwachten. In tegenstelling tot neurologische vormen van amnesie blijft het algemene geheugen meestal grotendeels intact. Mensen kunnen doorgaans nieuwe informatie leren, beschikken vaak nog over hun algemene kennis en behouden meestal praktische vaardigheden. Het probleem zit vooral in de toegang tot autobiografische herinneringen: wat iemand heeft meegemaakt, gevoeld of gedaan in een bepaalde periode of situatie. De klachten kunnen plotseling ontstaan, bijvoorbeeld na een ingrijpende gebeurtenis, maar ook minder abrupt zichtbaar worden. Soms herstellen herinneringen spontaan, soms geleidelijk en fragmentarisch, en soms blijven delen van het geheugen langdurig ontoegankelijk.

DSM-5-TR

Volgens de DSM-5-TR wordt de diagnose dissociatieve amnesie gesteld wanneer er sprake is van een onvermogen om belangrijke autobiografische informatie te herinneren, meestal van traumatische of stressvolle aard, dat niet past bij gewone vergeetachtigheid. De klachten moeten leiden tot klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren. Daarnaast geldt dat de symptomen niet mogen worden toegeschreven aan middelengebruik, neurologische aandoeningen of andere somatische oorzaken. Ook mogen ze niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis, zoals een dissociatieve identiteitsstoornis, posttraumatische stressstoornis, acute stressstoornis, een somatisch-symptoomstoornis of een neurocognitieve stoornis. Binnen de DSM-5-TR kan worden gespecificeerd of er sprake is van dissociatieve fugue. Daarbij reist of dwaalt iemand ogenschijnlijk doelgericht rond, in combinatie met geheugenverlies voor de eigen identiteit of andere belangrijke autobiografische informatie.

Vormen

Dissociatieve amnesie kan zich op verschillende manieren voordoen. De meest voorkomende vorm is gelokaliseerde amnesie, waarbij iemand zich een afgebakende periode niet meer kan herinneren, bijvoorbeeld de uren of dagen rond een ingrijpende gebeurtenis. Ook komt selectieve amnesie voor, waarbij sommige delen van een gebeurtenis of periode nog wel herinnerd worden, maar andere delen niet.
Minder vaak is er sprake van gegeneraliseerde amnesie, waarbij iemand grote delen van de eigen levensgeschiedenis of zelfs de eigen identiteit niet meer goed kan oproepen. Dat beeld is zeldzaam, maar klinisch zeer ingrijpend. Daarnaast bestaat er voortdurende amnesie, waarbij iemand vanaf een bepaald moment moeite heeft om nieuwe autobiografische gebeurtenissen als eigen herinnering vast te houden. In de praktijk zijn deze vormen niet altijd strikt van elkaar te onderscheiden. Herinneringen kunnen gefragmenteerd, contextafhankelijk of fluctuerend toegankelijk zijn.

Dissociatieve fugue

Dissociatieve fugue is in de DSM-5-TR geen aparte stoornis meer, maar een specificatie van dissociatieve amnesie. Het gaat om situaties waarin iemand ogenschijnlijk doelgericht reist of rondzwerft, terwijl er tegelijk sprake is van geheugenverlies voor de identiteit of andere belangrijke autobiografische informatie. In de praktijk kan dit betekenen dat iemand plotseling op een andere plek terechtkomt, een periode van rondzwerven doormaakt of achteraf geen samenhangend besef meer heeft van wat er in die periode is gebeurd. Soms is er verwarring over de eigen identiteit; soms gaat het meer om een afwezigheid van autobiografische context dan om volledig identiteitsverlies. Dissociatieve fugue is zeldzaam en er is relatief weinig systematisch onderzoek naar. Toch is het klinisch een belangrijk verschijnsel, juist omdat het ingrijpend kan zijn en goed onderscheiden moet worden van neurologische, intoxicatie-gerelateerde of andere psychiatrische oorzaken van desoriëntatie of zwerven.

Ontstaan

Dissociatieve amnesie wordt meestal begrepen als een reactie op overweldigende stress of trauma. Het geheugenverlies kan worden opgevat als een psychologische beschermingsreactie, waarbij bepaalde herinneringen tijdelijk niet toegankelijk zijn omdat zij te belastend, ontregelend of moeilijk integreerbaar zijn. Dat kan bijvoorbeeld optreden na geweld, misbruik, ernstige ongevallen, oorlogservaringen of andere ingrijpende gebeurtenissen. Soms lijkt vooral sprake van herinneringen die verbonden zijn met intense angst, schaamte, machteloosheid of innerlijk conflict. Ook kan het voorkomen dat iemand geconfronteerd wordt met ervaringen of handelingen die moeilijk verenigbaar zijn met het eigen zelfbeeld. Tegelijkertijd is het belangrijk om dissociatieve amnesie niet te simplistisch als “trauma = geheugenverlies” te begrijpen. Niet alle gevallen zijn rechtstreeks of eenduidig terug te voeren op één traumatische gebeurtenis. Ook individuele kwetsbaarheid, emotieregulatie, context, eerdere dissociatieve neigingen en de mate van psychische overbelasting spelen waarschijnlijk een rol.

Behandeling

De behandeling van dissociatieve amnesie richt zich in eerste instantie op veiligheid, stabilisatie en psycho-educatie. Voor veel mensen is het op zichzelf al ontregelend en beangstigend om te merken dat herinneringen ontbreken of niet betrouwbaar aanvoelen. Uitleg over dissociatie en geheugen kan daarom een belangrijk eerste onderdeel van de behandeling zijn. In de behandeling ligt de nadruk meestal niet op het actief forceren van herinneringen. Integendeel: te veel druk op het terughalen van herinneringen kan leiden tot meer spanning, verwarring of zelfs onbetrouwbare reconstructies. Een zorgvuldige en niet-suggestieve houding is daarom essentieel. Psychotherapie kan helpen om meer grip te krijgen op de klachten, de angst rond geheugenverlies te verminderen en ervaringen geleidelijk beter te integreren. Wanneer er sprake is van onderliggende traumatische ervaringen kan traumagerichte behandeling passend zijn, maar doorgaans pas wanneer er voldoende stabiliteit, veiligheid en draagkracht aanwezig is.

Beloop

Het beloop van dissociatieve amnesie is wisselend. In sommige gevallen herstellen herinneringen spontaan, bijvoorbeeld wanneer de acute stress afneemt of iemand zich veiliger voelt. In andere gevallen komen herinneringen geleidelijk en fragmentarisch terug. Soms blijven delen van het geheugenverlies langdurig bestaan. Hoe het beloop eruitziet, hangt sterk samen met de aard van de onderliggende problematiek, de context, de aanwezigheid van andere dissociatieve symptomen en de mate van psychische stabiliteit. Bij sommige mensen blijft dissociatieve amnesie beperkt tot een afgebakende episode, terwijl het bij anderen onderdeel is van bredere en langduriger dissociatieve problematiek.

Literatuur

  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). Washington, DC: APA Publishing.
  • Brand BL, Schielke HJ, Putnam KT, Putnam FW & Loewenstein RJ. (2016). Dissociative disorders. In Kaplan & Sadock’s Comprehensive Textbook of Psychiatry.
  • Kopelman MD. (2000). Focal retrograde amnesia and the attribution of causality: An exceptionally critical review. Cognitive Neuropsychology, 17(7), 585–621.
  • Loewenstein RJ. (2018). Dissociation debates: Everything you know is wrong. Dialogues in Clinical Neuroscience, 20(3), 229–242.
  • Spiegel D et al. (2011). Dissociative disorders in DSM-5. Depression and Anxiety, 28(12), 824–852.
  • Staniloiu A & Markowitsch HJ. (2014). Dissociative amnesia. The Lancet Psychiatry, 1(3), 226–241.
  • Schematische weergave zorgstandaard Dissociatieve stoornissen
  • Zorgstandaard dissociatieve stoornissen