De andere gespecificeerde dissociatieve stoornis (AGDS) is een diagnose uit de DSM-5-TR die wordt gebruikt wanneer iemand duidelijke dissociatieve klachten heeft die leiden tot lijdensdruk of beperkingen in het functioneren, maar niet volledig voldoet aan de criteria van een specifieke dissociatieve stoornis zoals de dissociatieve identiteitsstoornis, dissociatieve amnesie of depersonalisatie-/derealisatiestoornis. Dat betekent niet dat het om een “lichte” of onduidelijke restcategorie gaat. Integendeel: in de klinische praktijk is AGDS juist een veelvoorkomende en vaak betekenisvolle dissociatieve diagnose. De categorie maakt het mogelijk om dissociatieve problematiek serieus en precies te beschrijven, ook wanneer het beeld niet volledig past binnen één van de meer afgebakende dissociatieve stoornissen.
DSM-5-TR
Volgens de DSM-5-TR valt andere gespecificeerde dissociatieve stoornis (AGDS) onder de dissociatieve stoornissen en wordt deze diagnose gebruikt wanneer er duidelijke dissociatieve symptomen aanwezig zijn die leiden tot klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren, maar niet volledig wordt voldaan aan de criteria van een specifieke dissociatieve stoornis. De behandelaar specificeert daarbij waarom het beeld niet precies past binnen een andere dissociatieve diagnose.
De DSM-5-TR noemt vier voorbeelden van klinische beelden die onder AGDS kunnen vallen. Het eerste voorbeeld betreft chronische en recidiverende syndromen met gemengde dissociatieve symptomen. Daarbij is er bijvoorbeeld sprake van identiteitsverstoring of innerlijke verdeeldheid, zonder dat volledig wordt voldaan aan de criteria voor een dissociatieve identiteitsstoornis. Er kunnen wel verschillende zelftoestanden of “delen” worden ervaren, maar zonder het meer uitgesproken patroon van duidelijke gescheiden persoonlijkheidstoestanden en amnestische barrières zoals bij DIS.
Een tweede voorbeeld is identiteitsverstoring als gevolg van langdurige en intense dwangmatige beïnvloeding, zoals kan voorkomen bij hersenspoeling, politieke gevangenschap, sekte-achtige omstandigheden, langdurige indoctrinatie of andere situaties waarin iemands autonomie en zelfgevoel ernstig onder druk zijn komen te staan.
Een derde voorbeeld betreft acute dissociatieve reacties op stressvolle gebeurtenissen. Hierbij ontstaat plotseling een dissociatief toestandsbeeld na een ingrijpende gebeurtenis, maar zonder dat volledig wordt voldaan aan de criteria voor bijvoorbeeld een acute stressstoornis of een andere dissociatieve stoornis. De klachten kunnen heftig zijn, maar zijn vaak tijdelijk van aard.
Het vierde voorbeeld is dissociatieve trance. Daarbij is sprake van een duidelijke vernauwing of verandering van het bewustzijn, met verminderde responsiviteit op de omgeving en soms tijdelijk veranderd gedrag of een veranderd gevoel van zelfsturing. Zo’n toestand moet wel onderscheiden worden van cultureel of religieus ingebedde trance-ervaringen die binnen een bepaalde context als normaal of betekenisvol worden beschouwd.
Deze voorbeelden laten goed zien dat AGDS geen restcategorie voor “vage klachten” is, maar een klinisch relevante diagnose voor dissociatieve beelden die duidelijk aanwezig zijn, maar niet volledig binnen één van de andere dissociatieve stoornissen passen.
Klinisch beeld
Het klinische beeld van AGDS is heterogeen. Sommige mensen hebben vooral last van vervreemding van zichzelf of de omgeving, terwijl bij anderen geheugenlacunes, identiteitsverwarring, wisselende toegang tot emoties of lichamelijke dissociatieve verschijnselen meer op de voorgrond staan. Vaak is er geen “zuiver” dissociatief syndroom, maar eerder een patroon van klachten dat zich op meerdere domeinen tegelijk uit. Mensen met AGDS kunnen bijvoorbeeld het gevoel hebben dat zij niet altijd volledig aanwezig zijn, stukken van gesprekken of gebeurtenissen missen, zichzelf op verschillende momenten anders beleven, of tijdelijk moeilijk toegang hebben tot gevoelens, herinneringen of lichaamsbeleving. Ook kunnen zij zich innerlijk verdeeld voelen, zonder dat er sprake is van een duidelijk afgrensbaar beeld van afzonderlijke persoonlijkheidstoestanden. Juist die mengvorm maakt AGDS klinisch relevant. Het gaat vaak om mensen met reële, belastende en terugkerende klachten die niet goed worden begrepen als uitsluitend angst, stemming, persoonlijkheidsproblematiek of PTSS. De klachten zijn bovendien vaak fluctuerend en contextgevoelig: stress, relationele spanning, slaaptekort of traumatriggers kunnen dissociatieve ontregeling duidelijk versterken.
Ontstaan
Net als bij andere dissociatieve stoornissen wordt het ontstaan van AGDS vaak begrepen vanuit een traumaperspectief. Dissociatie kan zich ontwikkelen als een manier om overweldigende ervaringen psychisch hanteerbaar te maken, vooral wanneer die plaatsvinden in een context van afhankelijkheid, machteloosheid of chronische onveiligheid. Door emoties, herinneringen, lichamelijke reacties of delen van de ervaring als het ware los te koppelen, kan iemand blijven functioneren onder omstandigheden die anders te ontregelend zouden zijn. Tegelijkertijd is de etiologie van dissociatieve stoornissen niet volledig eenduidig. De zorgstandaard benadrukt terecht dat er meerdere verklaringsmodellen bestaan. Naast trauma kunnen ook factoren zoals biologische kwetsbaarheid, hechtingsproblematiek, emotieregulatieproblemen, slaapverstoring, sociale context en bredere ontwikkelingsfactoren een rol spelen bij het ontstaan en in stand houden van dissociatieve klachten. In de praktijk wordt AGDS daarom meestal het best begrepen vanuit een multifactoriële benadering: dissociatieve symptomen ontstaan zelden door één enkele oorzaak, maar eerder uit een samenspel van kwetsbaarheid, ervaringen en context.
Diagnostiek
De diagnostiek van AGDS vraagt ervaring en zorgvuldigheid. De diagnose wordt gesteld wanneer er duidelijke dissociatieve symptomen aanwezig zijn die klinisch relevant zijn, maar niet volledig passen binnen een andere dissociatieve stoornis. Dat vraagt om meer dan alleen het afvinken van criteria: juist de samenhang, ernst, context en betekenis van de klachten moeten goed worden begrepen. Goede diagnostiek begint met gerichte uitvraag naar verschijnselen zoals geheugenlacunes, vervreemding, wisselingen in aanwezigheid, discontinuïteit in zelfervaring, controleverlies en episodes van emotionele of lichamelijke “afkoppeling”. Heteroanamnese kan behulpzaam zijn, omdat patiënten bepaalde dissociatieve verschijnselen zelf niet altijd goed overzien of benoemen.
Gestructureerde interviews zoals de SCID-D kunnen helpen om dissociatieve symptomen systematisch in kaart te brengen. Ook screeningslijsten zoals de Dissociative Experiences Scale (DES) kunnen richting geven, maar deze zijn nooit voldoende om op zichzelf een diagnose te stellen.
Differentiaaldiagnostiek is essentieel. Dissociatieve symptomen kunnen ook voorkomen bij PTSS, persoonlijkheidsstoornissen, depressieve stoornissen, angststoornissen, functioneel-neurologische stoornissen, middelengebruik, slaapstoornissen en soms ook bij psychotische of neurobiologische aandoeningen. AGDS is daarom geen “restcategorie” bij onduidelijkheid, maar een diagnose die pas betekenisvol is na zorgvuldige klinische afweging.
Behandeling
De behandeling van AGDS volgt in grote lijnen dezelfde principes als de behandeling van andere dissociatieve stoornissen.
Literatuur
- American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR). American Psychiatric Association.
- Brand BL, Loewenstein RJ & Spiegel D. (2014). Dispelling myths about dissociative identity disorder treatment. Psychiatry, 77(2), 169–189.
- Loewenstein RJ. (2018). Dissociation debates: Everything you know is wrong. Dialogues in Clinical Neuroscience, 20(3), 229–242.
- Şar V (2017). The many faces of dissociation: Opportunities for innovative research in psychiatry. Clinical Psychopharmacology and Neuroscience, 15(3), 171–179.
- Schematische weergave zorgstandaard Dissociatieve stoornissen
- Spiegel D t al.(2011). Dissociative disorders in DSM-5. Depression and Anxiety, 28(12), 824–852.
- Steinberg M. (1994). Interviewer’s guide to the structured clinical interview for DSM-IV dissociative disorders (SCID-D). American Psychiatric Press.
- Zorgstandaard dissociatieve stoornissen