Benzodiazepinen - indeling

Meer informatie
No items found.

Benzodiazepinen en benzodiazepine-agonisten kunnen worden ingedeeld op basis van hun werkingsduur. Deze indeling is klinisch relevant, omdat de snelheid van werking en de eliminatiehalfwaardetijd in belangrijke mate bepalen waarvoor een middel geschikt is en welk risico er bestaat op bijwerkingen, rebound en afhankelijkheid. In de praktijk wordt daarnaast onderscheid gemaakt tussen middelen die vooral als slaapmiddel worden gebruikt en middelen die primair worden ingezet als anxiolyticum, hoewel deze functies elkaar gedeeltelijk overlappen.

Indeling naar werkingsduur bij slaapmiddelen

Bij de behandeling van slapeloosheid wordt de keuze voor een middel vooral bepaald door de gewenste werkingsduur. Ultrakortwerkende middelen, zoals brotizolam, midazolam en zolpidem, hebben een zeer snelle werking en een korte halfwaardetijd. Zij worden vooral gebruikt bij inslaapproblemen, omdat het effect snel intreedt en de kans op sufheid de volgende dag relatief beperkt is.

Kortwerkende middelen, waaronder temazepam, lormetazepam, lorazepam, oxazepam, zopiclon, flunitrazepam en loprazolam, hebben een iets langere werkingsduur. Deze middelen worden toegepast bij zowel inslaapproblemen als doorslaapproblemen, maar kunnen al meer residuele sedatie geven, met name bij hogere doseringen of bij ouderen.

Middellangwerkende middelen, zoals nitrazepam, hebben een langere werkingsduur en worden vooral gebruikt wanneer nachtelijke ontwakingen op de voorgrond staan. Door de langere werking neemt echter ook het risico toe op sufheid en cognitieve vertraging overdag.

Langwerkende middelen, zoals diazepam en flurazepam, hebben een lange halfwaardetijd en vaak actieve metabolieten. Hierdoor kunnen zij cumuleren bij herhaald gebruik, wat leidt tot een verhoogd risico op slaperigheid overdag, vallen en cognitieve stoornissen. Om deze reden worden zij minder vaak als slaapmiddel toegepast.

Indeling naar toepassing bij angst

Bij de behandeling van angststoornissen wordt minder strikt gekeken naar werkingsduur alleen, maar speelt ook de snelheid van werking en het risico op accumulatie een rol. Veelgebruikte anxiolytische benzodiazepinen zijn alprazolam, bromazepam, clobazam, clorazepinezuur, diazepam, lorazepam, oxazepam en prazepam. Middelen met een snelle werking, zoals alprazolam en lorazepam, worden vaker gebruikt bij acute angstklachten, terwijl middelen met een langere halfwaardetijd, zoals diazepam en prazepam, een meer geleidelijk en langduriger effect geven. Oxazepam neemt een bijzondere plaats in, omdat het relatief langzaam wordt opgenomen en geen actieve metabolieten heeft, wat het middel beter voorspelbaar maakt, met name bij ouderen en bij patiënten met leverfunctiestoornissen.

Klinische relevantie van de indeling

De indeling naar werkingsduur is vooral van belang bij het afwegen van effectiviteit en bijwerkingen. Kortwerkende middelen geven minder kans op sufheid overdag, maar een grotere kans op reboundklachten en onthoudingsverschijnselen. Langwerkende middelen geven een stabieler effect, maar vergroten het risico op accumulatie en cognitieve bijwerkingen. De keuze voor een benzodiazepine wordt daarom niet alleen bepaald door de indicatie, maar ook door factoren zoals leeftijd, comorbiditeit, gevoeligheid voor bijwerkingen en het risico op afhankelijkheid.

Literatuur

  • Baldwin DS, Aitchison K, Bateson A, et al. Benzodiazepines: risks and benefits. Br J Psychiatry. 2013;202:7–11.
  • Griffin CE, Kaye AM, Bueno FR, Kaye AD. Benzodiazepine pharmacology and central nervous system–mediated effects. Ochsner J. 2013;13:214–223.
  • Lader M. Benzodiazepines revisited—will we ever learn? Addiction. 2011;106:2086–2109.
  • Naarding P, Risselada AJ. Molemans praktische psychofarmacologie. Prelum; 2021.

Benzodiazepinen en benzodiazepine-agonisten kunnen worden ingedeeld op basis van hun werkingsduur. Deze indeling is klinisch relevant, omdat de snelheid van werking en de eliminatiehalfwaardetijd in belangrijke mate bepalen waarvoor een middel geschikt is en welk risico er bestaat op bijwerkingen, rebound en afhankelijkheid. In de praktijk wordt daarnaast onderscheid gemaakt tussen middelen die vooral als slaapmiddel worden gebruikt en middelen die primair worden ingezet als anxiolyticum, hoewel deze functies elkaar gedeeltelijk overlappen.

Indeling naar werkingsduur bij slaapmiddelen

Bij de behandeling van slapeloosheid wordt de keuze voor een middel vooral bepaald door de gewenste werkingsduur. Ultrakortwerkende middelen, zoals brotizolam, midazolam en zolpidem, hebben een zeer snelle werking en een korte halfwaardetijd. Zij worden vooral gebruikt bij inslaapproblemen, omdat het effect snel intreedt en de kans op sufheid de volgende dag relatief beperkt is.

Kortwerkende middelen, waaronder temazepam, lormetazepam, lorazepam, oxazepam, zopiclon, flunitrazepam en loprazolam, hebben een iets langere werkingsduur. Deze middelen worden toegepast bij zowel inslaapproblemen als doorslaapproblemen, maar kunnen al meer residuele sedatie geven, met name bij hogere doseringen of bij ouderen.

Middellangwerkende middelen, zoals nitrazepam, hebben een langere werkingsduur en worden vooral gebruikt wanneer nachtelijke ontwakingen op de voorgrond staan. Door de langere werking neemt echter ook het risico toe op sufheid en cognitieve vertraging overdag.

Langwerkende middelen, zoals diazepam en flurazepam, hebben een lange halfwaardetijd en vaak actieve metabolieten. Hierdoor kunnen zij cumuleren bij herhaald gebruik, wat leidt tot een verhoogd risico op slaperigheid overdag, vallen en cognitieve stoornissen. Om deze reden worden zij minder vaak als slaapmiddel toegepast.

Indeling naar toepassing bij angst

Bij de behandeling van angststoornissen wordt minder strikt gekeken naar werkingsduur alleen, maar speelt ook de snelheid van werking en het risico op accumulatie een rol. Veelgebruikte anxiolytische benzodiazepinen zijn alprazolam, bromazepam, clobazam, clorazepinezuur, diazepam, lorazepam, oxazepam en prazepam. Middelen met een snelle werking, zoals alprazolam en lorazepam, worden vaker gebruikt bij acute angstklachten, terwijl middelen met een langere halfwaardetijd, zoals diazepam en prazepam, een meer geleidelijk en langduriger effect geven. Oxazepam neemt een bijzondere plaats in, omdat het relatief langzaam wordt opgenomen en geen actieve metabolieten heeft, wat het middel beter voorspelbaar maakt, met name bij ouderen en bij patiënten met leverfunctiestoornissen.

Klinische relevantie van de indeling

De indeling naar werkingsduur is vooral van belang bij het afwegen van effectiviteit en bijwerkingen. Kortwerkende middelen geven minder kans op sufheid overdag, maar een grotere kans op reboundklachten en onthoudingsverschijnselen. Langwerkende middelen geven een stabieler effect, maar vergroten het risico op accumulatie en cognitieve bijwerkingen. De keuze voor een benzodiazepine wordt daarom niet alleen bepaald door de indicatie, maar ook door factoren zoals leeftijd, comorbiditeit, gevoeligheid voor bijwerkingen en het risico op afhankelijkheid.

Literatuur

  • Baldwin DS, Aitchison K, Bateson A, et al. Benzodiazepines: risks and benefits. Br J Psychiatry. 2013;202:7–11.
  • Griffin CE, Kaye AM, Bueno FR, Kaye AD. Benzodiazepine pharmacology and central nervous system–mediated effects. Ochsner J. 2013;13:214–223.
  • Lader M. Benzodiazepines revisited—will we ever learn? Addiction. 2011;106:2086–2109.
  • Naarding P, Risselada AJ. Molemans praktische psychofarmacologie. Prelum; 2021.