Hulpgids

De gids voor de geestelijke gezondheidszorg

Persoonlijkheidsonderzoek

Inleiding

Diagnostisch onderzoek vindt plaats om de problemen en het functioneren van de patiënt te inventariseren om zo te komen tot een afgewogen behandeladvies (indicatiestelling). Wanneer er aanwijzingen zijn voor persoonlijkheidsproblematiek, is aanvullend diagnostisch onderzoek van belang. Dit onderzoek naar persoonlijkheidsproblematiek geschiedt vanuit verschillende referentiekaders. De psychoanalytische theorie kent twee benaderingswijzen van persoonlijkheids-diagnostiek: een structurele en een descriptieve.

Structurele diagnostiek

Onder structurele diagnostiek wordt verstaan het onderzoek van de persoonlijkheidsstructuur. De structurele benadering is gebaseerd op het door Freud geformuleerde structurele model van de persoonlijkheid. Freud veronderstelde dat deze is opgebouwd uit het Ich, Uberich en Es. Het structurele gezichtspunt richt zich vooral op de vraag hoe het gestructureerde deel van de persoonlijkheid (Ich, Uberich) zich verhoudt tot het ongestructureerde deel (Es). Door middel van interviews worden drie belangrijke terreinen van de persoonlijkheid onderzocht:
• Realiteitstoetsing
Realiteitstoetsing betreft het onderscheid kunnen maken tussen binnen- en buitenwereld, het kunnen afgrenzen en differentiëren van zichzelf en de ander. Ook het vermogen zich te verplaatsen in de ander wordt hiertoe gerekend.
Afweermechanismen

• Identiteit
Met de mate van ontwikkeling van de identiteit wordt bedoeld in hoeverre iemand in staat is om tegenstrijdige aspecten ("ambivalente gevoelens") van zichzelf of anderen tegelijkertijd onder ogen te zien. Het kan om de eigen persoon gaan, maar ook om de ander. Een patiënt met een identiteitsdiffusie heeft een niet of slecht geïntegreerd en wisselend concept van zichzelf en van anderen. Men kan zichzelf of een ander alleen als "goed" of als "slecht" ervaren. Volgens Kernberg bestaat de persoonlijkheid uit een stabiele, intrapsychische structuur. Deze ontstaat door de interacties tussen genetische, constitutionele, biochemische, familiale en psychosociale factoren met de individuele geschiedenis van onbewuste, intrapsychische conflicten. Hij onderscheidt drie structurele types, die verwijzen naar normaal en neurotisch, borderline en psychotische niveaus van functioneren. Deze structurele types, persoonlijkheidsorganisaties, verschillen in de mate van realiteitstoetsing, identiteitsintegratie en de kwaliteit van afweermechanismen (structurele kenmerken).
1. Neurotische organisatie
Goede realiteitstoetsing, voornamelijk rijpe afweervormen en een voldoende gedifferentieerd en geïntegreerd zelfbeeld en beeld van belangrijke anderen.
2. Borderline organisatie
Intacte realiteitstoetsing met hooguit incidenteel korte (rand)psychotische verschijnselen; onrijpe of primitieve afweermechanismen (splitting'); identiteitsdiffusie (ontbreken van een geïntegreerd beeld van zichzelf en anderen).
NB: borderline persoonlijkheidsorganisatie is iets anders dan borderline persoonlijkheidsstoornis.
3. Psychotische organisatie
Uiterst gebrekkige Ik-organisatie, gestoorde realiteitstoetsing, gestoord zelfbeeld, identiteitsdiffusie.

Psychodynamische diagnostiek

In 1990 publiceerde Leidse hoogleraar R. Abraham een ontwikkelingsprofiel dat is gebaseerd op de psychoanalytische ontwikkelingspsychologie. Dit profiel geeft een overzicht van gedragspatronen die kenmerkend zijn voor de verschillende fasen van de psychologische ontwikkeling. Al deze fasen worden door iedereen in weliswaar dezelfde volgorde doorlopen, maar er zijn grote individuele verschillen in de benodigde tijd en mate van succes. Een patiënt wordt getypeerd door aan te geven in welke mate hij volgens deze patronen functioneert. Het ontwikkelingsprofiel gaat uit van de veronderstelling dat de meeste habituele gedragingen ontstaan door ervaringen in het verleden. Storend gedrag kan op die manier vaak worden begrepen als het persisteren van gedragspatronen die ooit passend of functioneel waren, maar dat nu niet meer zijn. In principe heeft iedere volwassene kenmerken van het kind dat hij is geweest. Het ontwikkelingsprofiel laat zien in welke mate dit het geval is.
De informatie wordt verkregen door een semi-gestructureerd interview dat anderhalf tot maximaal drie uur duurt. De vragen beogen het verkrijgen van een gedetailleerde beschrijving van het gedrag van de patiënt met betrekking tot de klachten, leefsituatie, opleiding of het werk, de verschillende relaties, religieuze of politieke activiteiten, hobby's en reacties op stressvolle gebeurtenissen. Met dit ontwikkelingsprofiel worden op een gestandaardiseerde wijze, klinisch relevante persoonlijkheidskenmerken geïnventariseerd, met als doel het gedrag van de patiënt inzichtelijk en daardoor beter beïnvloedbaar te maken. Het bijzondere van dit instrument in de persoonlijkheidsdiagnostiek is, dat naast de pathologische of minder ontwikkelde aspecten van de persoonlijkheid evenzeer de sterke en rijpe kanten van iemands persoonlijkheid in kaart worden gebracht.
Het uitgangspunt van het ontwikkelingsprofiel wordt gevormd door de fasegewijze ontwikkeling van het gedrag.
Het ontwikkelingsprofiel omvat tien ontwikkelingsniveaus met als centrale thema's: Structuurloosheid, Fragmentatie, Egocentriciteit, Symbiose, Verzet, Rivaliteit, Individuatie, Verbondenheid, Generativiteit en Rijpheid. Elk niveau wordt gekarakteriseerd door bepaalde gedragscategorieën. De manifestaties hiervan op de verschillende ontwikkelingsniveaus vormen de zogenaamde ontwikkelingslijnen. Deze betreffen: Sociale Attitudes, Objectrelaties, Zelfbeelden, Normen, Behoeften, Cognities, Probleemoplossend Gedrag en Diverse thema's.
Het ontwikkelingsprofiel kan op twee manieren worden gebruikt: Als referentiekader voor het onderkennen en begrijpen van gedragspatronen en als een gestandaardiseerd instrument voor het inventariseren van deze gedragspatronen. Als referentiekader is het relevant voor professionals die inzicht moeten hebben in de functionele mogelijkheden en beperkingen van mensen.

Testpsychologische diagnostiek (persoonlijkheidsonderzoek)

Klik hier voor een overzicht van veelgebruikte vragenlijsten

Descriptieve of beschrijvende diagnostiek

Descriptieve diagnostiek beperkt zich tot het beschrijven van karakter- en persoonlijkheidstrekken, zoals deze tot uiting komen in klinisch waarneembare fenomenen.
Bij descriptieve diagnostiek wordt gebruik gemaakt van systemen als DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) en de in de psychiatrie minder gehanteerde ICD 10 (International Classification of Diseases). Op grond van een objectieve beschrijving van gedragskenmerken kan worden gekomen tot een classificatie. Deze classificatie is alleen bedoeld voor wetenschappelijk onderzoek, maar voegt helemaal niets toe aan de individuele beschrijving. Een classificatiecode behoort altijd achteraan te staan, maar in de praktijk is het vaak (uit gemakzucht) het enige dat wordt opgeschreven.
Klik hier voor uitleg DSM

 

Praktijk uitgelicht

Praktijk Querido

Dhr. Bram Querido

Praktijk inschrijven

Ook uw praktijk geplaatst op de Hulpgids? U kunt zich aanmelden door het inschrijfformulier in te vullen en daarna op de knop "versturen" te klikken. Uw gegevens worden binnen 5 werkdagen na ontvangst kosteloos door Hulpgids.nl verwerkt en gepubliceerd. inschrijven ›