Hulpgids

De gids voor de geestelijke gezondheidszorg

Anamneselijst volwassenen

Referentie: aangepaste Rimland voor PDD-NOS

 

Inleiding

Autisme is een ontwikkelingsstoornis die zich niet altijd direct duidelijk openbaart. Vaak beginnen de ouders zich pas zorgen te maken na een of twee jaar. Ouders geven vaak aan dat zij hun kind van meet af aan een rustige en lieve baby hebben gevonden, maar eigenlijk te lief met in feite te weinig natuurlijke belangstelling voor de omgeving. Soms vertellen ouders dat er slaapproblemen waren, of problemen rond het accepteren van voeding, of ontroostbaarheid bij verdriet, of het kind liet zich niet knuffelen. Een verslag van ouders of andere uit de omgeving van de persoon (hetero-anamnese) met een ASS is belangrijk omdat de betrokkene zelf vaak niet zoveel meer weet van vroeger. Het kost hen moeite om zich te verplaatsen in wie ze vroeger waren. Een foto kan soms ook veel toevoegen; vaak staan de mensen met een ASS afzijdig en lachen vaak niet. Meisjes merken vaak al rond hun 5e dat ze anders zijn en passen zich dan (vaak beter) aan dan jongens. Teruggetrokken en verlegen zijn is sociaal geaccepteerd bij meisjes.

MEDISCHE GEGEVENS

a. Is er ooit een medische of pychiatrische diagnose gesteld bij uw kind?
• diagnose:
• gesteld door:
• waar:
• wanneer
b. Werd er ooit een EEG gemaakt?
• naar aanleiding waarvan?
• wat was daarvan het resultaat
c. Gebruikte uw kind medicijnen?
• zo ja, welke en waarvoor?
d. Gebruikt uw kind momenteel medicijnen?
• zo ja, welke en waarvoor?
e. Zijn er gezondheidsklachten of medische bijzonderheden?

ALGEMEEN

1. Was er iets bijzonders of opvallends aan uw kind?
a. als baby
b. als dreumes
c. als kleuter
d. op de basisschool
e. nog later
f. niet
2. Waardoor viel uw kind op? Wat werd er door anderen over hem gezegd?

ZWANGERSCHAP EN GEBOORTE

3. Hoe verliepen zwangerschap en geboorte?
Zwangerschap
• probleemloos
• complicaties of problemen nml.:
Geboorte
• probleemloos
• complicaties of problemen nml.
4. Wat was het geboortegewicht? Eventuele APGAR-scores...
5. Waren er gezondheidsproblemen gedurende de eerste drie maanden?
• uitstekende gezondheid, geen problemen
• ademhaling (herhaaldelijk infecties/iets anders)
• huid (uitslag/infectie/allergie/iets anders)
• voeding (leren zuigen, krampen, spuwen/iets anders)
• ontlasting (diarree/verstopping/iets anders)
• andere gezondheisproblemen nl.
6. Schudde hij als baby met lichaam en/of hood in de wieg of box heen en weer?
• ja, heel vaak
• ja, soms
• nee of heel weinig
7a Huilde hij gedurende het eerste levensjaar?
• heel vaak en ontroostbaar
• heel vaak, maar was wel te troosten
• gewoon
• opvallend weinig
7b Was het huilen op een bepaalde manier opvallend
• zo ja, op welke wijze
8. Was hij als baby snel van slag/onrustig bij veranderingen of drukte?
9. Hoe sliep hij als kind?
• vlot inslapen en goed doorslapen
• lag vroeg wakker, probeerde vaak uit bed te komen
• sliep vlot in, doch onrustig, droomde en/of had nachtmerries
• zowel inslapen als doorslapen was een probleem
10. Veranderde het slaappatroon op oudere leeftijd, bijvoorbeeld na de pubertijd?
11a Op welke leeftijd werd hij zindelijk
• voor urine.....jaar
• voor ontlasting.....jaar
11b Waren er problemen of moeilijkheden bij het zindelijk worden?
• zo ja, welke?


ONTWIKKELING VAN HET CONTACT BABY- EN PEUTERTIJD (0-5 JAAR)

12. Stak hij als kind de handen uit of gaf hij blijk van verwachting (bijv. trappelen wanneer ouder komt om hem op te pakken?
• ja
• nee
• soms
13. Vond hij het als kind fijn om vastgehouden of opgetild te worden?
• vond het fijn om opgepakt te worden
• was slap en passief als het vastgehouden werd
• men kon het alleen oppakken en vasthouden, wanneer en zoals hij het wilde
• duidelijk stijf en niet op zijn gemak als het vastgehouden werd
14. Nam hij zelf het initiatief tot knuffelen of vasthouden?
• ja, nam zelf initiatief
• nee, ging alleen op initiatief van ouders of anderen
15. Tot welke leeftijd wilde hij als kind op schoot?
16a Was hij als kind aanhankelijk?
• beslist, het klampte zich aan volwassenen vast
• gewoon, vond het leuk om aangehaald of geliefkoosd te worden
• nee, afwerend, nogal stijf en niet op zijn gemak als het vastgehouden werd
16b Hoe was dat later? Bijvoorbeeld bij het geven van een had of een zoen?
17. Bootste hij als kind andere mensen na? (meerdere antwoorden mogelijk)
• ja, zwaaide "dag" met de handen
• ja, hielp zogenaamd bij klusjes in huis
18. Deed hij als kind mee met interactieve spelletjes? Bijv. klap eens in je handjes, kiekeboe.
• ja, genoot ervan en vroeg erom
• ja, genoot ervan, maar vroeg er niet om
• nee
19a Keek hij als kind mensen aan als zij tegen hem praatten?
• nooit, of zelden
• alleen bij ouders
• gewoonlijk wel
19b En hoe was dit later?
20a Lachte hij als kind tegen volwassenen?
• nooit of zelden
• alleen tegen ouders
• gewoonlijk wel, maar keek je daarbij niet aan
• ja, gewoonlijk ket hij de ander daarbij aan
20b En hoe was dit later?
21a Kon er van hem gezegd worden dat hij vaak "in gedachten verzonken was", onbereikbaar was?
• ja, dit is een zeer treffende beschrijving
• dat was soms zo
• geen treffende beschrijving
21b En hoe was dit later?
22a Hoe reageerde hij als kind op bezoek?
• trok zich terug
• raakte in paniek
• ongewoon, anders dan zou worden verwacht, nl
• gewoon
22b En hoe was dat later?
23. (3-5) jaar Gaf hij als kind meer de voorkeur aan voorwerpen dan aan personen?
• ja
• nee
24. Liet hij als kind een volwassene bij zijn spel toe?
• ja
• soms, even
• nee
25. Kwam hij als kind dingen laten zien?
• ja
• soms
• nee

ONTWIKKELING VAN HET CONTACT VANAF BASISSCHOOL (4 jaar en ouder)

26. Kon hij als kind zich verplaatsen in de gevoelens van anderen ?
• ja
• nee, hield geen rekening met anderen, kon niet meedenken/meevoelen met anderen
• begreep sociale regels niet, reageerde vreemd op reacties van anderen
27. Lachte hij als kind in situaties die daar geen aanleiding toe gaven, bijvoorbeeld als er dingen stuk vielen, een ander pijn gedaan werd, als er op een ander gemopperd werd?
• nee
• soms
• ja, dat was typerend
28. Hoe was het contact van hem als kind met andere volwassenen? (meerdere antwoorden mogelijk)
• het contact was normaal
• er was enig contact, maar het was vluchtig
• er was wel een aanloop tot een contact, echter te weinig groei of vervolg
• het contact was bizar, oninvoelbaar, vreemd
• het contact was te vrij, er was geen natuurlijke afstand
• er was sprake van extreme en te lang durende "verlegenheid" of geborgenheid aan één of enkele personen
29. Hoe was het contact met leeftijdsgenoten? (meerdere antwoorden mogelijk)
• het contact met hen was geen probleem
• was een eenling tussen leetijdsgenoten
• kon wel naast, maar niet samen spelen
• hield geen rekening met de wensen van leeftijdsgenoten
• kon spelregels moeilijk volgen, vooral wanneer enige nuancering verwacht werd
• voelde zich snel tekort gedaan door de ander, vond dat hij snel geplaagd werd
• speelde liever met jongere kinderen dan met leftijdsgenoten
• geen behoefte aan andere kinderen, vermaakte zich zichzelf prima
• het contact was vrijwel alleen aftasten/uitdagen
30. Verweerde hij zich als kind als hij gepest werd?
• werd niet gepest
• ja, maar vaak ongepast
• ja, maar anders dan je van een kind op die leeftijd zou verwachten
• ja, verweerde zich goed
• nee, werd alleen maar angstig
• nee, want hij had niet door dat hij gepest werd
31. Veranderde het contact met leeftijdsgenoten tijdens de middelbare school? (meerdere antwoorden mogelijk)
• het contact met leeftijdsgenoten verbeterde (ging naar feestjes, contact na schooltijd, clubs, ed)
• het contact met leeftijdsgenoten verminderde
• kon geen contacten vasthouden met vrienden en vriendinnen
• ging naïef contact aan, schatte onvoldoende andermans bedoelingen in
• geen speciale interesse in een speciaal iemand, eigen ouders bleven het belangrijkst
• een bijzondere interesse in een speciaal iemand, op opvallende wijze
• anders, nl.
32. Hoe was/is het contact met collega's op het werk? (meerdere antwoorden mogelijk)
• alleen als het van de ander uitging
• alleen zakelijk, de werkzaamheden betreffende
• totaal niet, reden tot conflicten, plagerijen
• niet opvallend anders

TAALONTWIKKELING TUSSEN 1-5 JAAR

33. Wanneer sprak hij als kind zijn eerste woorden en zinnen?
• voor de eerste verjaardag
• tussen 1 en 2 jaar
• voor de kleuterleeftijd (4 jaar)
• na zijn 5e jaar
• heeft nooit woorden gesproken
34. Stopte hij met spreken nadat hij al begonnen was met spreken?
• ja, maar later begon het spreken weer
• ja, het spreken is nog beperkt
• nee, het praten hield aan
• in specifieke situaties stopte het
35. Hoe was de uitspraak?
• buitengewoon goed en foutloos
• gewoon goed
• onduidelijk, slecht
36. Op welke manier probeerde hij een ander iets te vertellen?
• via één of enkele woordjes
• door aan te wijzen, zonder woorden
• vaak via huilen en boosheid
• trachtte zelden iets te vertellen
37. Hoe gebruikte hij als kind zijn woordenschat?
• de mogelijkheid om iets mee te delen was tamelijk goed, zoals men verwacht op grond van het aanta woorden dat het kind kende
• hij kon dingen aanwijzen die benoemd waren, maar hij kon niet zelf spreken
• hij kon veel dingen precies benoemen, maar niet iets meedelen
• hij begreep geen woorden
38. Hoe duidde hij zichzelf aan als kind?
• "Jantje gevallen" of "baby gevallen"
• "mij gevallen" of "ik gevallen"
• "hij, zij of haar gevallen"
• "jij gevallen
• geen spraak of te weinig spraak tot nu toe
39. Kon hij als kind begrijpen wat er tegen hem gezegd werd?
• ja, begreep het goed
• hij begreep het als kind een beetje, als het maar steeds herhaald werd
• een beetje, maar begreep geen samengestelde opdrachten (zoals breng je speelgoed naar je kamer en neem je sloffen mee)
• weinig of geen begrip
40. Hoe schat u het denkpatroon van hem als kind in? (meerdere antwoorden mogelijk)
• vaak sprake van zwart/wit denken
• kon geen oorzaak/gevolg inschatten
• kon geen onderscheid maken tussen belangrijke en minder belangrijke zaken
• kon moeilijk situaties relativeren
• kon moeilijk onderlinge verbanden leggen
• gewoon voor de leeftijd
41. Begreep hij als kind was hij zelf vertelde?
• hij begreep zonder twijfel wat hij zelf zei
• nee, er werd slechts herhaald, zonder er veel van te begrijpen
• hij begreep voor een deel wat hij zelf vertelde
• er was geen spraak genoeg om dit te kunnen zeggen
42. Hoe zei hij als kind gewoonlijk "nee" of hoe weigerde hij iets?
• er werd gewoon nee gezegd
• hij negeerde de vraag
• er werd een ontkenning gebruikt, zoals "wil niet", "geen melk", "niet wandelen"
• iets anders, of te weinig spraak om iets te zeggen
43. Hoe was het taalgebruik van hem als kind (meerdere antwoorden mogelijk)
• het taalgebruik was niet opvallend
• vaak te ouwelijk, te wijs of te formeel
• kon erg uitweiden over een onderwerp
• praatte regelmatig door een ander gesprek heen, was dan vaak dwingend
• maakte vaak vreemde opmerkingen, niet passend in het gesprek
• gesprek was vaak eenrichtingsverkeer
• hij begreep geen grapjes, vatte alles letterlijk op
• kon goed op zijn beurt wachten
• kon zijn gevoelens niet goed verwoorden
• kon moeilijk ideeën zo formuleren, dat een ander ze begreep
• een eigenaardig taalgebruik
• vroeg telkens naar de bekende weg
• praatte zonder inhoud
44. Herhaalde hij als kind uitdrukkingen of zinnen?
• ja, maar met gevarieerde intonatie
• ja, maar op een mechanische wijze
• ja, met dezelfde intonatie als van de spreker
• nee
45. Herhaalde hij als kind de vragen van anderen steeds maar weer, zonder variatie?
• ja
• nee, niet opvallend

MOTORISCHE ONTWIKKELING (0 - 5 JAAR)

46. Boog hij als kind rug en hoofd strak achterover, wanneer hij opgepakt werd?
• ja
• soms
• helemaal niet
47. Hoe beschrijft u de ontwikkeling van kruipen naar lopen van hem?
• normale veranderingen van kruipen naar lopen
• kroop weinig of niet, ging geleidelijk lopen
• het kruipen hield heel lang aan en plotseling ging het kind lopen
48. Op welke leeftijd liep hij los?
• voor het eerste jaar
• voor 18 maanden
• later, nl.
49. Hoe bewoog hij zich als kind bij het rennen, wandelen, balanceren, klimmen?
• opvallend sierlijk
• vertraagde, slappe motoriek
• gewoon soepel
• stijf, houterig
50. Viel of bezeerde hij als kind zcih bij het rennen en klimmen?
• viel en/of bezeerde zich vaak
• geen bijzonderheden
• was opvallend voorzichtig en viel bijna nooit
• verassend veilig, ondanks actief klimmen
51. Waren er problemen met de volgende motorische vaardigheden? (meerdere antwoorden mogelijk)
• moeite met veter strikken, knopen vast maken
• moeite met leren schrijven
• moeite leren fietsen
• moeite met leren zwemmen
• meoite met bal gooien en vangen
• moeite met iets maken kleine materialen
• moeite met iets open draaien
52. Bewoog hij als kind de armen op een aparte wijze, bijvoorbeeld fladderen of in de handen klappen of wrijven
• ja, vaak
• soms, bij opwinding
• nee
• anders, nl.
53. Was hij als kind geneigd zich langdurig bezig te houden met ritmische of schommelende activiteiten (zoals op een hobbelpaard of schommel, etc.)?
• ja, dat was typerend
• deed dit zelden
• nee, deed dit niet
54. Draaide hij als kind veel aan voorwerpen? (o.a. wielen van een auto, ballen)
• ja, vaak
• deed dit zelden
• nee, deed dit niet
55. Kon hij op de basischoolleeftijd meekomen bij gymnastiek?
• nee
• niet opvallend
• redelijk goed en beoefende ook een sport, nl
• zeer goed, blonk uit in:

ZINTUIGELIJKE ONTWIKKELING (0-5 JAAR)

Visueel
56. Reageerde hij als kind gedurende de eerste drie jaar op fel licht, felle kleuren?
• gewoon
• ongewoon sterke reactie (keek of staarde langdurig of reageerde afwerend)
• ongewoon, totaal niet reageren
57. Was het mogelijk om zijn aandacht te richten op dingen op enige afstand, ofbuiten het raam?
• ja, dat ging goed
• als kind zag hij zelden dingen die ver buiten zijn bereik waren
• de aandacht werd alleen op dingen in zijn directe omgeving gericht
• het was moeilijk de aandacht te trekken als hij intensief naar iets anders keek
Auditief
58. Hoe reageerde hij als kind gedurende het eerste jaar op de harde geluiden?
• ongewoon sterke reactie (bijvoorbeeld angst of paniekreactie)
• ongewoon, totaal geen reactie
• gewoon
59. Werd ooit vermoed dat hij als kind doof was?
• ja, op welke leeftijd?...
60. Leek hij als kind "doof" te zijn voor harde geluiden of stemmen?
• ja, hij leek "doof" te zijn voor harde geluiden of stemmen, maar hoorde wel zachte geluiden
• ja, als hij zelf ergens mee bezig was, dan reageerde hij niet
• nee, dit gold niet
Tactiel
61. Hoe onderzocht hij als kind zijn omgeving gedurende de eerste drie levensjaren?
• gewoon
• ongewoon, veel tasten / likken / ruiken
• ongewoon, niet onderzoekend
62. Hoe onderzocht hij als kind zijn omgeving na het derde levensjaar?
• gewoon
• ongewoon, veel tasten / likken / ruiken
• ongewoon, niet onderzoekend
63. Hoe reageerde hij als kind op pijn, bijvoorbeeld als hij viel?
• ongewoon, sterke reactie, hevig huilen of gillen
• ongewoon, totaal niet reageren
• gewoon
Smaak
64. Had hij als kind bepaalde eigenaardigheden met eten (bijvoorbeeld weigerde te drinken uit een doorzichtige beker, at alleen warm of geprakt voedsel)
• ja, welke
• nee
65. Had hij als kind moeite met overgangen in voedsel in de baby en dreumestijd?
• ja, de overgang van
• nee
66. Heeft hij nu bijzondere eetgewoonten of voorkeuren?
• ja, nl.
• nee

SPECIALE INTERESSES EN VAARDIGHEDEN (1-5 JAAR)

67. Had hij als kind, gedurende de eerste 5 jaren, een zeer goed geheugen?
• zeer goed geheugen voor liedjes, ritmen, tv-reclame
• zeer goed geheugen voor namen, plaatsen en wegen
• zeer goed geheugen voor cijfers en getallen
• onthield alleen zaken die veel indruk hadden gemaakt
• onthield alleen alle details; het gevoel ontbrak hierbij
• normaal geheugen
• als kind juist een erg slecht geheugen
68. Was hij als kind speciaal geïnteresseerd op één of meerdere voorwerpen (zoals auto's, treinen, kaarten, computers) of onderwerpen (zoals sterrenkunde, geschiedenis, natuur, modelbouw)
69. Had hij als kind vergeleken met leeftijdsgenootjes een opvallend goede vaardigheid in:
• omgaan met spelmateriaal, als het leggen van puzzels, bouwen met blokken, insteekmozaïek of iets anders
• gooien of vangen met een bal
• klokkijken, dag en datum onthouden of voorspellen
• rekenkundige bewerkingen
• of iets anders...
• geen opvallende vaardigheden

VASTE GEWOONTEN EN WEERSTAND TEGEN VERANDERING (1 - 5 JAAR)

70. Hoe reageerde hij gewoonlijk als het spel of de bezigheid onderbroken werd?
• had merkbaar moeite om onderbroken te worden
• geen moeite
71. Hoe accepteerde hij als kind nieuwe kledingstukken (schoenen, jassen ed)?
• weerstand tegen nieuwe kleren
• het leek niets uit te maken
• nieuwe kleren waren leuk
72. Had hij moeite met veranderingen (bijvoorbeeld voorwerpen die van plaats veranderd zijn, overwachte gebeurtenissen)?
• niet speciaal
73. Probeerde hij veranderingen of onjuistheden te herstellen?
• ja, bijvoorbeeld
• zelden
• nee
74. Hoe reageerde hij op overgangssituaties (bijvoorbeeld thuiskomen na school, naar bed gaan, overgang van school naar vakantie)?
• had hier geen moeite mee
• hij had hier duidelijk moeite mee, nl.
• hij had hier soms moeite mee, nl
75. Stond hij als kind erop een bepaald voorwerp bij zich te houden?
• ja, nl
• zelden
• nee
76. Waren er problemen met hem als kind, in die zin dat hij sloeg, kneep of op een andere manier zichzelf of anderen bezeerde?
• nee, geen problemen
• ja, maar alleen zichzelf
• ja, maar alleen anderen
• ja, zichzelf en anderen
• zo ja, kon daarvoor een aanleiding aangegeven worden?
77. Maakte hij als kind veel kapot?
• ja, leek dit met opzet te doen
• ja, maar deed dit niet met opzet
• nee, dit was geen probleem
• zo ja, kon daarvoor een aanleiding aangegeven worden?
78. Was hij geïnteresseerd als kind in mechanische apparaten, zoals de centrale verwarming, lichtknopjes, stofzuiger, wasmachines?
• weinig of geen interesse
• gewone interesse
• bepaalde mechanische dingen boeiden hem sterk

EMOTIES

79. Was hij als kind in het algemeen erg angstig?
• normaal angstig
• ja, voor vreemden of voor sommige mensen
• ja, voor bepaalde dieren, geluiden of (mechanische) dingen
• kende geen angst, zag geen gevaar
80. Was hij als kind angstig voor bepaalde situaties, zoals haarwassen, haar knippen of onder de douche gaan?
• nee, het was geen probleem
• ja, hij raakte erg in paniek
• zelden
81. Kon hij als kind zomaar driftig worden zonder een aanleiding?
• ja, dit kwam vaak voor, bijvoorbeeld..
• soms, bijvoorbeeld..
• nooit
82. Welke omschrijving is het meeste passend? (meerdere antwoorden mogelijk)
• overbeweeglijk, veranderde snel van het een naar het ander, maar wel doelgericht
• liep vaak doelloos rond of speelde schijnbaar doelloos
• kon lange tijd voor zich uit staren
• gewoon
83. Hoe was de stemming van hem als kind?
• vaak vrolijk, niet snel van slag
• zeer wisselend, extreem, onvoorspelbaar
• bleef lang hangen in een bepaalde stemming
• kon nergens echt van genieten
• huilde erg snel; emoties sloegen snel door
84. Hoe was dit op latere leeftijd?

SPEL

85. Welke spelletjes deed hij graag?
• in zijn eentjes
• met anderen
86. Had hij als kind fantasie (meerdere antwoorden mogelijk)
• ja, hij had een levendige fantasie
• ja, hij kon helemaal in iets opgaan, vergat dan alles om zich heen
• hij praatte tegen dingen/knuffels; liet ze van alles doen
• bizarre fantasieën, belangstellingen en/of gedachten
• dwanggedachten
• sprong van de hak op de tak
• had helemaal geen fantasie
• zijn fantasie was niet opvallend
87. Is de fantasie veranderd, bijvoorbeeld na de pubertijd?
• ja, nl.
• nee

Praktijk uitgelicht

Praktijk Querido

Dhr. Bram Querido

Praktijk inschrijven

Ook uw praktijk geplaatst op de Hulpgids? U kunt zich aanmelden door het inschrijfformulier in te vullen en daarna op de knop "versturen" te klikken. Uw gegevens worden binnen 5 werkdagen na ontvangst kosteloos door Hulpgids.nl verwerkt en gepubliceerd. inschrijven ›